25 juli: Pip – een woonwagenkind.

Vorige week schreef ik over de foto-tentoonstelling bij ons in het Heymanscentrum.
Bij één van de foto’s kwam een lawine aan herinnering naar boven, terwijl ik die tijd niet echt heb meegemaakt.
Je ziet een woonwagen met een een trapje en een mevrouw met een emmer.
Ik kan mij in mijn hoofd een voorstelling maken van hoe het er in die woonwagen uit zag.
Dat komt van het jeugdboek ‘Pip’ van Nel Verschoor-Van der Vlis.
In de jaren ’60 door opa Boelen voor ons uit het oud papier gevist.
Ademloos heb ik het destijds gelezen.

Pip is een meisje uit een woonwagen, dat er met een marmotje en kleerhangers op uit moet om geld te verdienen. In Hoogersmilde waren er in mijn kindertijd geen woonwagens meer en er kwamen ook geen woonwagenbewoners meer langs de deuren met hun koopwaar. Wat mij is bijgebleven is dat ze steeds weer in een andere klas kwam op een andere school, omdat haar ouders van stad naar stad reisden.  Als meisje van 10 in Hoogersmilde stond mijn verstand daar bij stil. Niemand deed aardig tegen haar, ze werd gemeden als de pest. Vreselijk toch?
Hun woonwagen wordt getrokken door het paard Dorus en dat is haar grootste vriend.
Op een dag komt Pip in het volgende dorp waar ze een poosje zullen blijven en dan gaat ze daar naar een Christelijke school.  Ze hoort daar van de  Heere Jezus en leert bidden. Haar vader wil daar niets van weten en noemt alle christelijkheid ‘fratsen’.

Het aller-aller-ergste was dat Dorus ziek werd en op een nacht doodging.
Het hartverscheurende verdriet van Pip werd zo treffend omschreven, dat ik huilend in mijn bed lag te lezen. Maar in het boek liep het gelukkig wel goed af met Pip. Op zekere dag redt ze een jongen die door het ijs is gezakt en als beloning daarvoor krijgt ze een hond.
Een moralistisch kinderboek met een christelijk sausje.
Wist ik veel. Ik vond het prachtig.

Moeder, Pip en Lientje gaan langs de deuren.

Toen onze dochters klein waren heb ik het aan hen alledrie voorgelezen voor het slapen gaan, iedere dag een stukje. Het moralistische en het christelijke sausje konden me niks schelen: ik las het voor net als ‘Rozemarijntje’ en ‘Peerke en zijn kameraden’ van W.G. van der Hulst.
Je kunt aan kinderen heus wel uitleggen dat het verhaal zich afspeelt in een andere tijd, toen opa en oma nog klein waren. Ook de kinderen vonden het verhaal van Pip geweldig.
We hebben het er nog wel eens over.
“Dat PAARD! Dat ging DOOD!”

Door het boek over Pip weet ik hoe het leven in zo’n woonwagen er uit zag.
Van die oude boeken van opa Boelen heb ik heel veel geleerd over de maatschappij van voor de jaren ’60. Door (voor) te lezen kom je in een andere wereld en dat hoeft niet altijd een sprookjeswereld te zijn; ook al heb ik die ook wel heel veel voorgelezen!

Dit bericht is geplaatst in Alledag. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Type de getallen in cijfers in onderstaand vak * Time limit is exhausted. Please reload the CAPTCHA.