een alternatief voor 'de waan van de dag'

Auteur: Ada Pagina 1 van 228

5 maart: TBONTB 26 – Andere sociale netwerken.

Naast ons gezin, onze familie, onze vrienden en kerkelijke contacten hebben we meer sociale groepen waar ik wel eens een blog over schrijf.
Drie dagen in de week ga ik naar mijn werk; op het blog beschreef ik fietstochten, gebeurtenissen op kantoor en belevenissen met collega’s.
Drie voorbeelden: ‘Jan’ (over een kamer waar iemand op een brancard lag) ‘Lastig parkeren‘ en ‘Ondeugende leerlingen‘, een verslag van een teamuitje.

Daarnaast heb ik meer dan tien jaar Franse les gevolgd in het klasje van juf Helen du Fossé.
Eén keer in de week op dinsdagavond met 7 leerlingen, die ik in de loop van de jaren steeds beter leerde kennen. Natuurlijk leerde ik Frans spreken en schrijven, maar we hadden ook heel veel plezier met elkaar. Lees bijvoorbeeld maar eens de blogs ‘Kwartetten op z’n Frans’ , ‘Vloeibaar Frans’, ‘Une crodocille empaillé‘ of ‘La langue‘.

Sport is iets dat ik niet graag van nature doe, maar in de loop van de tijd heb ik toch geleerd dat bewegen net zo bij het leven hoort als eten en drinken.
Fietsen naar het werk, zwemmen op maandagavond met Ans en tegenwoordig doe ik op vrijdagmiddag FysiYoLates bij Trijntje.
Weten hoe zo’n les verloopt? Lees dan het blog ‘In balans met zalm’.
Het nieuwe blog dat ik schreef voor het boek gaat over een middag FysiYoLates bij Trijntje in Roderesch.

2020: Geen oehoe neerschieten!

Iedere vrijdagmiddag fiets ik naar Roderesch voor een FysiYoLates-les in de gymzaal  het RAS-huis. We doen dan een uur fysieke oefeningen en daarna mogen we een kwartier uitblazen en ontspannen met ademhalingsoefeningen.

Het is 24 juli 2020 en vanmiddag doen we onze oefeningen met een stok; in verband met het coronavirus doen we de oefeningen buiten.
Mijn spuuglelijke (want gratis)  badhanddoek ligt dwars op het yogamatje,  zodat mijn armen niet in het gras komen te liggen als ik ze liggend op het matje moet uitstrekken.
Twee weken geleden legde ik mijn arm namelijk op een bij in het gras die daar niet van gediend was en mij prikte.
Pijnlijk.
Dat zal mij niet weer overkomen.

Met de stok gingen we onze schouders en armen oprekken met allerlei soorten oefeningen.  Eén  onderdeel was zogenaamd speerwerpen. Eerst zover mogelijk weg op het gras, linkerarm, rechterarm. Daarna de speer over een metalen voetbaldoeltje gooien en op het laatst moesten we de speer over een tak in een eikenboom gooien.
“Stel je maar voor dat daar een oehoe zit die je neerschiet” zei Trijntje.
“Dat gaan we toch niet doen!” riep ik “We gaan toch geen oehoe’s neerschieten……. ik ga me voorstellen dat ik een duif neerschiet.”
Trijntje sputterde nog wat over dat een oehoe groter was en dat je die makkelijker kon raken, maar ik schoot duiven uit de boom.
Van de vijf pogingen gooide ik er maar twee over de tak heen. Twee duiven. Dan moet ik onwillekeurig aan Toon Hermans denken met zijn mislukte goochelnummer.
“Doif ies tood, maineer…..”

Hoe goed die oefeningen voor je zijn merkte ik die zaterdagmorgen daarop.
Gerard en ik gingen de ramen van ons huis aan de buitenkant wassen.
Voor wie niet weet hoe ons huis eruit ziet: veel ramen.
Toen ik de emmer met water optilde voelde ik mijn armen al, toen ik later met de trekker alle ramen droogtrok wist ik dat ook mijn schouders flink geoefend hadden die vrijdagmiddag daarvoor.

Na een aantal jaren FysiYoLates weet ik dat ik nooit zo soepel word als Trijntje en nooit zo slank als Maxima, daar heb ik mij al bij neergelegd.
Wat ik doe is bijhouden en niet nog stijver worden, dit met in mijn achterhoofd de woorden die ik ooit eens las over yoga en pilates:

Streef niet naar perfectie; dat bestaat niet.
Streef naar een betere versie van jezelf, dat ligt altijd binnen je bereik.

Meer lezen over het boek 1960 -2020?
Hierbij een link naar de verzamelpagina van deze blogreeks ‘Te boek ….. of niet te boek’.

Reageren

4 maart: Een zondags ommetje.

De laatste zondag van februari maakten we ons dagelijkse ommetje in de buurt van het kerkhof in Hoogersmilde.
Af en toe gaan we daar heen om het graf van onze ouders te bezoeken en schoon te maken.
In andere jaren deden we dat in combinatie met een verjaardag in de familiekring, waarbij we toch in de buurt waren, maar door corona vieren wij geen verjaardagen meer.
Wat ik het meest mis is het ongedwongen ‘gebep’ met de schoonzussen: hoestmetdekinder-waddisdergebeurd-watwo’jdrinken-watnlekkeresaladeja! Dat. Het kringetje. Met een breiwerk en grote verhalen. De verjaardagen in maart zullen ook vast nog niet doorgaan, dus dan wordt het pas juni. O mann, wat kijk ik daar naar uit; net als naar de jaarlijkse schoonzusjesdag en familiedag.

Terug naar het ommetje.
Vooraan bij het laantje naar het kerkhof stond ineens een informatiebord; het bleek van de Historische Vereniging ‘de Smilde’ te zijn.
Daarop was te lezen dat de begraafplaats pas in 1847 aangelegd. Daarvóór werden de overledenen uit Hoogersmilde in Diever begraven, omdat het onder het kerspel Diever viel.
Eenmaal thuis zocht ik op internet op hoe dat dan zat. Kloosterveen viel destijds onder het kerspel Rolde en Hijkersmilde onder Beilen. Dat kwam omdat de verschillende dorpen van de huidige gemeente Smilde niet tegelijkertijd ontstonden, dus zo’n nieuw dorp werd eerst aan een bestaande kerspel gekoppeld.
Nou heb ik toch jaren in Hoogersmilde gewoond, maar dit wist ik nog niet.

Na het kerkhof vervolgden we de wandeling een klein stukje verderop: we gingen wandelen langs de Vaartweg waar wij van 1985 tot 1989 gewoond hebben, daarover vertel ik meer in een blog in de streektaol  verderop in deze maand.
We begonnen bij de Leembrug en zoals wel vaker: historische informatiebordjes zie ik bijna nooit over het hoofd.
Nu was er een nieuw bord bij het camperbedrijf aan de Leemdijk over het oude tramstation van de Nederlandse Tram Maatschappij.
.
We bekeken een klein historisch openluchtschouwspel, (zie afbeelding links, klik op de foto voor een vergroting)  bestaande uit rails, stootblok, seinpaal en bijbehorend informatiebord, waar op stond dat het in 2015 honderd jaar geleden was dat Hijkersmilde op die plek een tramstation kreeg met daarbij een woning voor personeel, een zogenaamde ‘chefwoning’.
Die beide panden staan er ook nog: de naam van het station staat nog levensgroot op de voor- en  achtergevel.
Bij dit blog twee links: de eerste is naar een artikel over het tramstation  van Provinciale monumenten Drenthe. Hierop vind je een foto van hoe het tramstation er nu uitziet.
De andere link is naar een artikel over het aanbieden van de rails, stootblok, seinpaal etc. uit ‘de Krant van Midden Drenthe met prachtige oude foto’s van het tramstation in gebruik uit het begin van de vorige eeuw.

Allemaal ontdekt tijdens zomaar een ommetje op zondagmiddag.

Reageren

3 maart: Sokken breien – altijd garen over.

Als je wel eens sokken breit ken je het wel : bij het breien van sokken hou je altijd garen over.
Vooral van die mooie in elkaar overlopende garens; je hebt twee bollen nodig, maar je verbreit niet alles.
Nou brei ik niet zoveel sokken, dus mijn sokkenwolrestjes zijn op één hand te tellen, maar vorig jaar kreeg ik ineens een heeeeleboel van die restjes: de schoonmoeder van mijn boekenvriendin overleed en ik ‘erfde’ haar handwerkmand. Daarover schreef ik destijds al een blog onder de titel: ‘Van Griet’.

De helft van de handwerkspulletjes van Griet bestond uit bovenbeschreven sokkenwolresten.
“Daar hebben wij allemaal sokken van” vertelde mijn vriendin er bij.
Wat doe je er mee?
Op internet las ik ergens dat iemand er vierkantjes van breide voor een kussenovertrek.
Je kunt er ook een ‘sokkenwoldeken’ van breien, een voorbeeld daarvan vind je hier: sokkenwoldeken.
Begin dit jaar pakte ik een Griet-restje sokkenwol om een nieuwe steek uit te proberen: je begint met drie steken en in iedere heengaande toer brei je voor en na het midden een omslag.
Dan gaat je breiwerk als het ware ‘de hoek om’. *
Het proeflapje lukte prima; ik knoopte er nog een Griet-restje aan en bedacht tijdens het breien dat ik deze ‘lap met een punt’ wel kon gebruiken als voeten/benenwarmer als ik ’s avonds op de bank zit. De punt vouw ik dan om mijn voeten en de zijkanten vouw ik om mijn onderbenen.

Nu is het experiment klaar en zijn er een aantal restjes opgebreid.
De voeten/benenwarmer verdient geen schoonheidsprijs, maar ik hoef er ook niet mee de straat op.
Het leuke van het opbreien van die restjes is dat je steeds andere kleuren/andere patroontjes in je breiwerk krijgt.
Ander voordeel: ik kan die steek nu dromen.
Nog een voordeel: het breiwerk wordt steeds een beetje groter en met eindeloze pennen recht & averecht kun je ondertussen heerlijk naar een detective kijken.

Benieuwd hoe je begint aan zo’n ‘lap met een punt’?
– Zet drie steken op.
– Brei drie steken recht.
– Brei 1 steek recht, omslag, 1 steek recht, omslag, 1 steek recht.
– Brei 2 steken recht, 1 steek averecht, 2 steken recht.
– Brei 2 steken recht, omslag, 1 steek recht, omslag, 2 steken recht,
– Brei 3 steken recht, 1 steek averecht, 3 steken recht.
– Brei 3 steken recht, 1 omslag, 1 steek recht, 1 omslag, 3 steken recht.

Vanaf hier begin en eindig je iedere toer met 3 steken recht.
Zo ontstaat er aan de zijkant een ribbelrandje van 3 steken.
Wil je dit randje wat breder, dan hou je 4 of 5 steken aan.

– Brei 3 steken recht, 3 steken averecht, 3 steken recht.
– Brei 4 steken recht, 1 omslag, 1 steek recht, 1 omslag, 4 steken recht.
– Brei 3 steken recht, 5 steken averecht, 3 steken recht.
– Brei 5 steken recht, 1 omslag, 1 steek recht, 1 omslag, 5 steken recht
– Brei 3 steken recht 7 steken averecht, 3 steken recht.
Zo brei je door tot alle restjes op zijn 😉

In het midden van je breiwerk heb je 1 steek met aan weerskanten steeds een gaatje; omdat je om de twee pennen twee steken meerdert, gaat je breiwerk als het ware ‘de hoek om’.

Reageren

2 maart: Proeverij der onbekende dingen.

Er zijn al weer twee maanden voorbijgegaan waarin we onze kinderen niet gezamenlijk zagen.
De laatste zaterdag van januari organiseerden we een digitale wijnproeverij om toch met z’n achten samen iets te beleven.
Het was een groot succes, dus we we besloten in februari ook zoiets te doen.
Al overleggend kwamen we uit op een ‘proeverij der onbekende dingen’.

Dit spraken we af: Ieder stel brengt iets lekkers in voor bij de borrel dat ze niet kennen. Dat gaan de andere stellen ook kopen en de laatste zaterdag van februari gaan we dat met z’n achten uitproberen.’
Pringels rijstchips, Fuet-worstjes, Gü cheesecake met chocola en caramel en Aziatische kipsate Yakitori gingen we proeven (zie afbeeldingen).
Kon ik bij alle soorten wijn bij de Jumbo terecht, voor deze dingen moest ik ook naar Albert Heijn.
Och mensen, wat ben ik in zo’n winkel die ik niet ken dan een oliebol.
Dwalend liep ik langs de schappen, zoekend naar iets wat ik in de Jumbo al niet gemakkelijk kan vinden, laat staan bij Appie.
Ondertussen moet je ook nog op de anderhalve meter letten.
Twee dingen vond ik, maar de Yakitori niet. Op een gegeven moment heb ik mijn telefoon met de afbeelding ervan onder de neus van zo’n splinterjonge, hippe supermarktmedewerker gehouden en die gidste me er zo naar toe.

Toen we elkaar zaterdagavond in beeld hadden (duurt altijd even) en bijgepraat waren (duurt ook altijd even) begonnen we met de proeverij.
Bijna alles vond ik lekker, behalve de Pringles.
Sommige stellen gaven er nog product-informatie bij: fuet bijvoorbeeld is een Catelaanse dunne droge worst uit het gebied boven Barcelona en Pringles hebben een hyperbolische paraboloïde vorm (…..) Ja hoor, ja.

Om de sfeer te verhogen gingen we ook nog een spel doen: ‘Among us’, een on-line spel waarbij je een poppetje bent in een crew in een ruimteschip. Eén van de leden van de crew is een verrader en probeert de boel te saboteren. Als je dat poppetje tegenkomt wordt je zomaar doodgeslagen en verander je in een spookje.
Gelukkig duurt een ronde niet zo lang, dus zodra je weet wie de booswicht is, begint er een nieuwe ronde en wordt er weer een nieuwe slechterik aangewezen.
Ik hoef vast niet uit te leggen dat ik mij als deelnemer aan dat spel net zo voelde als de oliebol op zoek naar Yakitori in de Albert Heijn.
Opdrachten moest ik uitvoeren, maar die moest ik eerst vertalen uit het Engels en dan moest ik de ruimte waar ik ze moest uitvoeren nog zoeken.
Volgens mij was ik zo’n slechte deelnemer dat ik daarom nooit de verrader van de crew ben geweest; ik ben ook niet zo goed in doodslaan trouwens.

Spelende vrouw, wat heb je nu geleerd?
Dat de generatiekloof zich ineens openbaart als je een nieuw online spel gaat spelen met je kinderen en dat Aziatische Yakitori heeel erg lekkere kipspiesjes zijn.

Reageren

1 maart: Niks bijzonders?

Na twee bijzondere vieringen (14 februari Harm Dijkstra en 21 februari de #Doeslief/Ik-zie-jou-viering), was er gistermorgen weer een gewone kerkdienst.
Maar dat wil niet zeggen dat er niks bijzonders was.

Een paar bijzonderheden: bij het Kindermoment in het kader van het Veertig-dagen-project, de zeven werken van barmhartigheid, ging het gistermorgen over het bezoeken van zieken.
Dominee Sijbrand van Dijk had een video opgenomen in de stad Groningen; we zagen hem staan bij het Sint Anthonygasthuis aan de Rademarkt.
Hij vertelde dat dit gasthuis in de 16e eeuw was gesticht om de zieken, armen en bejaarden te huisvesten, die niet meer voor zichzelf konden zorgen.
Hij vertelde van alles over de eeuwenoude poort waar hij voor stond en liet beelden zien. Omdat zijn camera nog in de ‘selfiestand’ stond, zagen we de teksten in spiegelbeeld.
Er was één tekst die mij intrigeerde maar die ik niet zo snel kon lezen, dus die heb ik even opgezocht.
Dit staat boven de deur: “BESPODT NIET EEN OUT WYF OFTE MAN NIEMANT WYET WAER “T HEM TOE COMEN CAN”.

Aan het begin van de overdenking liet de voorganger een schilderij van Ton Schulten zien.
Voor 2019 had ik niet geweten wie dat was, maar na ons bezoek aan Ootmarsum weten wij meer van deze schilder.
(Ook meer weten? Lees dan het blog ‘Ton Schulten en Willem Wilmink‘ uit 2019.)
De predikant liet het schilderij zien om iets te kunnen vertellen over de werkwijze van Schulten: hij verft het doek eerst helemaal zwart en brengt daarna kleur voor kleur de verschillende lagen aan; hij eindigt altijd met een klein stukje wit, in dit geval de zon. Op die manier brengt hij het licht in het schilderij.
Dat werd door dominee Van Dijk heel mooi gelinkt aan de bijbelverhalen van vanmorgen: Elia’s ontmoeting met God in het zachte suizen van de stilte en Jezus’ ontmoeting met Mozes en Elia op de berg.  Hij zei daarover: “Jezus wordt hier licht; er komt een helderheid die er eerder niet was.” Door de genoemde ontmoetingen komt er licht in de duisternis.

De derde bijzonderheid was de bevestiging van Marieke Pranger als kerkelijk werker in onze gemeente.
Zij vervangt Astrid Mekes (die door ziekte tijdelijk is uitgevallen) in het ouderenpastoraat. Marieke is niet nieuw voor ons: ze is al vanaf 1986 actief en betrokken lid van onze PKN-gemeente.
‘Onze Marieke’ dus. Moeder van Aruni die bij onze Harriët in de klas zat op basisschool ‘de Haven’. Sopraan in onze cantorij. Creatief lid van de Taakgroep Vorming & Toerusting.
Wat heerlijk dat zij het team van pastores komt versterken!
Als we met elkaar naar de kerk hadden gemogen hadden we haar na een feestelijke viering allemaal de hand geschud en haar hartelijk gefeliciteerd met deze nieuwe taak; mét een knuffel.
Vanaf deze plek: Marieke, welkom en van harte gefeliciteerd!

Nog één bijzonderheid: de ouderling van dienst liep na de afkondiging bijna de prachtige ‘Liturgische schikking veertigdagentijd 2021’ omver.
Gelukkig bleef het bij één omgevallen potje….
De makers van deze liturgische schikking verdienen een groot compliment voor hun ‘bloemrijke’ en creatieve bijdragen in deze periode.
Benieuwd naar hoe het er uit ziet? Hierbij een link naar een artikel mét foto’s op onze PKN-website.

Reageren

28 februari: Geloven van wieg tot graf.

Eén van onze PKN-gemeenteleden, Cor Keers, heeft een boek geschreven.
Cor en ik kennen elkaar oppervlakkig van de keren dat we elkaar ontmoeten bij activiteiten van de kerk of bij de koffie na een viering.
In coronatijd hebben we elkaar één keer gesproken: toen ik het boek kwam ophalen dat ik van hem had gekocht.
Het boek heet ‘Geloven van wieg tot graf’ en de subtitel is  ‘Een studie over zingeving’.
Dit staat o.a. op de achterflap: Cor vertelt openhartig over zijn leven. U leest over zijn succesvolle studietijd en zijn carrière als sociaal psycholoog, maar ook over zijn gang door de psychiatrie als patiënt, worstelend met psychosen. Met voorbeelden uit de psychologie, theologie en filosofie laat de auteur zien hoe hij omgaat met al die gebeurtenissen en zin geeft aan zijn leven.’

Vooropgesteld: ik lees nooit zulke boeken.
Onder het kopje ‘Lezen’ in de menubalk zie je waar mijn interesse naar uit gaat en dat zijn geen studies over zingeving.
Maar ik vond dat ik het in ieder geval een kans moest geven
Het begin pakte me direct; in het eerste deel beschrijft Cor zijn leven, het is onderhoudend en tegelijkertijd aangrijpend.
Zonder opsmuk vertelt hij over wat hem is overkomen en hoe hij het allemaal heeft beleefd.
Zijn eerlijkheid is onthutsend.
Hij beschrijft hoe het is als je in een isoleercel zit omdat je helemaal de weg kwijt bent.
Wat een psychose met je doet, wat het doet met je naaste omgeving en wat het betekent voor je carrière.

Het boek kan ruwweg verdeeld worden in vier delen; het tweede deel gaat over ‘Taal’: het belang van ‘taal & verhalen’, het verschil tussen beschrijvende en inspirerende verhalen, gelardeerd met voorbeelden uit de bijbel.
Het derde deel is gewijd aan zingeving: vanuit drie zienswijzen (psychologie, filosofie en theologie) wordt in dit deel gekeken naar dit begrip.
Eén voorbeeld haal ik aan ter verduidelijking: hoe geef je zin aan je leven als je in een concentratiekamp zit?
Het laatste deel gaat ook over zingeving, maar dan in combinatie met Cor’s manier van geloven.
Daarin beschrijft hij wat het geloof voor hem betekent en hoe hij in de loop van de jaren anders is gaan geloven.

Een boek van 384 pagina’s kun je niet samenvatten in een blog van 500 woorden, maar ik kan wel vertellen wat het met me heeft gedaan.
Het boek lag zes weken op onze bank en zes weken keek Cor me vanaf de voorkant indringend aan.
Al lezend leerde ik hem goed kennen.
Wat heb ik geleerd van dit boek?
– Dat zingeving altijd iets is dat je zelf moet doen: niet bij de pakken neer zitten, niet zwelgen in wat niet meer kan, maar doen (en genieten van) wat wel kan.
– Dat het lidmaatschap van de PKN-gemeente Roden-Roderwolde voor Cor (en voor mij) erg zinvol is en dat de bijbel een verrassend actueel boek is.
– Hoe belangrijk mensen in je omgeving zijn die naar je luisteren, interesse tonen en je ondersteunen.

Wat hielp bij het lezen van dit boek is dat ik door mijn christelijke opvoeding op de hoogte ben van de inhoud van de bijbel.
Om in die bijbelse terminologie te blijven: voor een ‘Martha‘ als ik is dit boek te zware kost, maar ik had het niet willen missen.
Respect en bewondering voor deze vechter die zijn hele ziel en zaligheid in dit boek heeft gelegd en daarmee begrip vraagt voor de vaak onbegrepen wereld van de psychiatrische patiënt.

Belangstelling voor dit boek? Plaats hieronder een reactie, dan breng ik je in contact met Cor.

Reageren

27 februari: ’s Morgens om 8 uur.

Meestal zet ik ’s morgens een wekker, op mijn vrije dagen iets later dan op werkdagen.
Maar soms laat ik het maar even gebeuren.
Als er geen wekker afgaat, word ik meestal wakker om 08.00 uur, dan slaat de grote klok in de Catharinakerk op de Brink.
Wij wonen ongeveer 700 meter van de kerk af, dus de klok is goed te horen, maar je valt niet van schrik uit bed.
Heerlijk om dan nog even te soezen…..

De klok luidt drie keer per dag: ’s morgens om 08.00 uur, ’s middags om 12.00 uur en ’s avonds om 18.00 uur.
Vroeger, toen mensen nog niet allemaal een horloge hadden, was die klok echt belangrijk voor de tijdsaanduiding.
Boeren die op het land aan het werk waren, wisten aan het klokgelui dat het warme eten op tafel stond.

Voor de reformatie was ‘onze’ Catharinakerk een Rooms Katholieke kerk, zoals alle kerken in Nederland.
Het luiden van de klokken was in eerste instantie een oproep tot gebed; daardoor ontstond in de omgeving van de kerk ook een bepaalde regelmaat in de dagindeling.
Dat is ook de oorsprong van het zogenaamde ‘Angelus kleppen of luiden’ 3 keer per dag– waarschijnlijk ingesteld in de 14e eeuw – als oproep tot het bidden van ‘De Engel des Heren’.

Na de Reformatie werd het gebruik van kerkklokken voor een groot deel afgeschaft; hiervoor kwam het ‘tijdluiden’ in de plaats, zoals de middagklok en de papklok.
Vaak werden klokken voor allerhande, niet-kerkelijke zaken gebruikt: als waarschuwing voor brand of ander naderend onheil, voor de rechtspraak of als poortklok bijvoorbeeld, maar daar zal in Roden geen sprake van geweest zijn: er was immers geen stadsmuur, dus ook geen poort.
Voor een kerkdienst op zondag roept de klok van de Catharinakerk ons ter kerke; bijzonder om te bedenken dat de klok nu al bijna een jaar niet meer roept…..
Na een begrafenis vanuit de kerk luidt de klok de overledene uit: de klok luidt totdat de kop van de stoet het kerkhof heeft bereikt.

En dan te bedenken dat die klok er bijna niet meer was geweest! In de 2e Wereldoorlog werd de klok door de Duitsers in beslag genomen.
Zij smolten die geroofde klokken om en maakten er wapentuig van. De Nederlandse regering had een aantal klokken bestempeld als ‘monumentaal’, waaronder die uit de Catharinakerk. Er werd een grote witte M op gezet (zie afbeelding) en dat was de redding van de klok: na de oorlog kwam hij weer terug naar Roden en strooit hij dagelijks zijn galmende klanken over Roden.

Donderdagmorgen 25 februari, geen wekker want: vrije dag.
Om acht uur hoor ik de klok luiden.
Wat bijzonder eigenlijk…..

De afbeelding van de klok heb ik gefotografeerd uit het boekje ‘Negen eeuwen Catharinakerk Roden’, uitgegeven in de zomer van 2012 door de Stichting Behoud Hinszorgel. Hierbij een link naar de website van die stichting, daar kun je onder het kopje ‘La petite histoire’ het boekje digitaal bekijken. 

Reageren

26 februari: TBONTB 26 – Guilty? Necessary!

In het boek had ik ook een hoofdstuk opgenomen onder de titel ‘Guilty pleasures’.
Dit onderwerp heeft niet een eigen tabje in het menu; af en toe schrijf ik er over.
Guilty pleasures zijn  pleziertjes waar je je eigenlijk een beetje schuldig over moet voelen.
Waar je je haast een beetje voor zou moeten schamen.
Tijd verdoen aan onbenullige computerspelletjes.
Alles volgen op het gebied van ‘the royals‘ en genieten van de ‘franje van oranje’.
Geld weggooien op de kermis in zo’n muntjes-schuifapparaat.
Gniffelend een Donald Duck lezen in de wachtkamer bij de dokter.
Bij de barbecue toch gaan voor een speklap, in plaats van kiezen voor de veel gezondere kipfilet.
Met een potlood met groot plezier de omgeroepen nummers doorkrassen en genieten van de spanning als je bijna BINGO hebt op een melig familiefeestje.
Meezingen met hele foute muziek, zoals ‘Pappie, loop toch niet zo snel…” van Herman van Keeken of  ‘Eéééduard & Helena‘ van de Zangeres zonder Naam.
Je nog steeds bescheuren om de idiote sketches van André van Duin uit de jaren ’70.
Echt waar. Als ik midden in een revalidatieperiode even een off-day heb, zoek ik op YouTube wat oud materiaal van Van Duin op. Binnen een half uur knap ik dan al op, omdat ik fysiek moet lachen en dat heeft weer een positieve invloed op mijn geest.

Iedereen heeft zulke ‘schuldige pleziertjes’.
Door ze te delen op mijn blog roep ik vaak instemmende reacties op.
Eigenlijk is het jammer dat het woord ‘schuldig’ wordt gebruikt voor dit soort activiteiten.
Waarom zou je je daar schuldig over moeten voelen?

Als je dat nou leuk vindt? Je hoeft toch niet alle tijd die je tot je beschikking hebt te gebruiken voor nuttige en verantwoorde dingen?
Mijn vader kon vroeger zo nuchter zeggen: “Wat kan jou dat nou schelen wat een ander daarvan vindt.”
In het leven zijn al genoeg serieuze en ernstige dingen.
Te veel.
Daarom pleit ik voor afschaffing van de term ‘guilty pleasures’.
Voor mij zijn het ‘necessary pleasures’.
Even onbekommerd met zogenaamde onbenulligheden wegdrijven van de zwaarte van de dag.

Het voordeel van het delen van mijn interesse voor ons koningshuis, is dat mensen in mijn omgeving bij een blad of een boek over de royals onmiddellijk aan mij denken.
Dat krijg ik dan.
Zoals de ‘Royal-special’ die de lezers van de bladen Margriet & Libelle als extraatje kregen.
Die lag een week later op mijn bureau aan de Hereweg in Groningen.
Was met de interne post gekomen; gekregen van collega Jacquelien.
Die komt dan, nadat ik hem uitgebreid gelezen heb, in een royalty-lezers-circuit.
Dat circuit bestaat uit tante Trijn, schoonzus Annette en schoonzus Ali.
Vorsten, Royalty, boeken, het verhuist in plastic tasjes van adres naar adres.
Want natuurlijk ben ik niet de enige die geniet deze ‘guilty pleasure’….!

Meer lezen over het boek 1960 -2020?
Hierbij een link naar de verzamelpagina van deze blogreeks ‘Te boek ….. of niet te boek’.

Reageren

25 februari: Nederlands maar dan anders (18)

Het heeft even geduurd….. er kwam niet veel grappigs binnen en ik hoorde zelf ook niet zo veel.
Na 5 maanden nu dan toch weer een verzameling versprekingen en taalbloopers:

Collega Jacquelien hoorde iemand op TV een spreekwoord gebruiken dat wel heel erg uit zijn verband getrokken was: “Het bloed stroomt waar het niet kruipt.”
Ook op TV: Sander van der Wulp vertelt over de invloed van Baudet na de perikelen rondom zijn vermeende vertrek: “Thierry Baudet heeft zeker nog een flinke lepel in de pap.”
Bij diezelfde perikelen zei een journalist “De meeste mensen zijn van goede trouw”. 
Toen in november de dag van de Amerikaanse verkiezingen aanbrak vond een journalist dat een spannende en enerverende gebeurtenis: “Dit is een dag van tanden bijten.”
In Op1 was een arts te gast. Hij vond  dat het allemaal wel wat zorgvuldiger kon omtrent corona. “Dat betekent toch niet dat je de kantjes er van af moet snijden…”
Zal wel een chirurg geweest zijn. 

In het Dagblad van het Noorden stond een interview met een Drentse mevrouw die in het westen van ons land was gaan wonen.
Ze vertelde: “Ik sprak met een Drents accent. In Haarlem werd ik daarom behandeld of ik ze niet alle 24 in een kratje had.”
Het is toch alle zeven op een rijtje? Hoeveel rijtjes zitten er dan in een kratje?

Vaste lezer stuurde mij een berichtje door van de  Belgische Bart Lauwers humor-site. Normaal gesproken zou ik daarnaar linken, maar ik kan het artikel niet vinden op internet. 
Daarom maar met naam & toenaam: gevonden op de Bart Lauwers humor-site uit België. Het is te klein om  zo te lezen, maar als je klikt op de afbeelding komt de tekst groter in beeld. 
Bij sommige woorden moet je echt even nadenken!

Dinsdag 16 februari vertelde een bekende Nederlander dat hij in het weekend van 13 en 14 februari heerlijk geschaatst had. 
“Ik heb me werkelijk het snot achter de ogen geschaatst!”

Ex-collega Gineke stuurde me een opmerking toe die gemaakt was door staatssecretaris Blokhuis: “Als je met je hart onder de ziel loopt…”
Harten, riemen, zielen, armen: het blijft ingewikkeld. 

Carlijn stuurde mij een complete Top 10 van taalfouten. Stond op de website van de NOS; die top 10 wordt jaarlijks bekend gemaakt.
Erg leuk moet ik zeggen; bij sommige fouten schiet je echt in de lach. Eéntje licht ik er uit: Op een bordje van een restaurant: “Wij berijden ons konijn in eigen keuken”. Je hoort niks bijzonders, maar je leest een giller.  

Geen verspreking maar wel een komische constatering in dit kader kwam van een vriendin. 
Ze heeft zelf een rare verspreking gemaakt en zegt daarover: “Ik weet niet meer precies wat ik zei, iets met een fluitje en een cent, maar ik moet zoiets gelijk opschrijven want ik onthou mezelf ook niet… ” 
Mijn vriendinnen groeien qua leeftijd met mij mee; hoe herkenbaar dus. 

De laatste verspreking dateert van afgelopen zondag. Dominee Walter Meijles noemde één van zeven werken van barmhartigheid ‘zoeken bezieken’.
Niemand heeft het denk ik gehoord, maar ik vond het zo grappig klinken. Net zo leuk als ‘piest precas’ als je ‘past precies’ bedoelt. 

Heb je ook leuke verspreking/verbastering gehoord?  Laat het me weten.
Klik hier  voor het blog Nederlands maar dan anders deel 17, van daaruit kun je doorlinken naar voorgaande blogs in deze serie.
Vergeet ook niet te kijken op het instagram-account Treintaal.
Dit vond ik de leukste: in een treingesprek dacht iemand dat het besprokene voor iedereen duidelijk was. “Dat is toch voor iedereen gebakken koek?” 

Reageren

24 februari: Pinkeltje en de boze tovenaar.

“O…..daar komt Snorrebaard de kamer in! Pinkeltje holt maar snel naar zijn holletje onder de etenskast”.
Ademloos zat ik als zes-jarige te luisteren naar juf Hunze die ons voorlas over Pinkeltje, het kleine mannetje dat bij meneer Dick Laan in huis woonde.
Met zijn muizenvriendjes Knabbeltje, Grijshuidje, Zwartsnoetje, Kraaloogje en Langstaartje, de kat Snorrebaard, de goudvis Goudhuidje en de spin Zilverdraad.
Buiten in de tuin woonde de snoodaard Wipstaart, een kraai die het Pinkeltje en zijn vriendjes soms knap lastig maakte.

We keken uit naar moment aan het einde van de dag als juf haar stoel achteruitschoof en het voorleesboek pakte.
Van de andere boeken weet ik eigenlijk helemaal niets meer, maar Pinkeltje was bij ons op school mateloos populair.
Bij mij in de klas zat een jongetje (dat Gerard heette), dat niet naar school kon omdat hij ziek was. Huilend riep hij tegen zijn moeder: “Maor dan weet ik ja niet hoe ’t met Pinkeltje verder giet…!”
Toen ik later onze kinderen voorlas uit de Pinkeltje boeken waren de dames ook zeer begaan met het lot van het kleine mannetje dat zo’n last had van die kraai. “Toute Wiptaart!”

Toen ik al wat klassen hoger zat kreeg ik zelf een boek uit de Pinkeltje reeks: Pinkeltje en de boze tovenaar.
Pinkeltje woonde toen al niet meer bij meneer Dick Laan, maar was verhuisd naar Pinkeltjesland.
In het boek was een betoverd bos waar een boze tovenaar in woonde. In Pinkeltjesland verdwenen vervolgens op raadselachtige wijze kinderen; de suggestie werd gewekt dat ze in dat betoverde bos bij die boze tovenaar werden vastgehouden. Maar niemand durfde natuurlijk dat bos in te gaan om te gaan kijken; iedereen was ‘schietensbenauwd’ voor die boze tovenaar.
Op een dag is ook de zoon van koning Pinkelpracht verdwenen.
Pinkeltje ontpopt zich als een ware held door met een toverzwaard het bos in te trekken.
Verder is er nog een raadselachtige toverkogel, een toverboek met ingewikkelde spreuken en hele grote, betoverde vissen in de vijver van het bos; er zwemt één goudvis bij…..
Spanning en sensatie voor een kind van 9!
Daar is het zaadje al geplant voor mijn interesse in boeken met geheimen en mysteries.

Het boek van Pinkeltje staat nu voor het raam in onze kamer.
Eén van onze cantorijleden is betrokken bij het project ‘Hoera, Noordenveld heeft er nieuwe lezers bij’!
Meer weten? Hierbij een link naar een artikel op  ‘Dit is Roden‘, waar je ook een leuke video vindt.
Deze oproep kregen alle cantorijleden van haar:

We zijn met de vrijwilligers van ‘Hoera’ bezig een boekenspeurtocht te organiseren.
Zet je ook een kinderboek voor je raam?
Dit is tijdens de voorjaarsvakantie, veel  kinderboeken voor de ramen hoe leuker de speurtocht  voor de kinderen!! 

Wat een origineel idee en wat een leuk initiatief.
Ik zette Pinkeltje pontificaal voor het raam en stuurde een foto naar de organisatie met ons adres erbij.
Het boek en het schrijven erover bracht me weer even terug in mijn kindertijd.
Het plaatje van de boze tovenaar die ‘zijn vissen’ voert  (klik op de afbeelding voor een vergroting) staat in mijn geheugen gegrift.
Hoe ik lag te griezelen in bed toen Pinkeltje samen met Mierepiet en Torrelor…..

Reageren

Pagina 1 van 228

Mogelijk gemaakt door WordPress & Thema gemaakt door Anders Norén