De waarde van de dag

een alternatief voor 'de waan van de dag'

31 oktober: De heilige Marcus, Nicolaas en Justus.

Morgen is het 1 november. In de Rooms Katholieke kerk viert men dan Allerheiligen, een feest ter nagedachtenis aan alle heiligen en martelaren.
In de Middeleeuwen was het heel gewoon dat de restanten van die heiligen, relieken genaamd, werden tentoongesteld in rijk versierde reliekhouders.
Zo had bijvoorbeeld de Martinikerk in Groningen de arm van Johannes de Doper in zijn bezit.

Eén van de eerste kerken buiten Rome die relieken van een heilige bezat was de San Marco in Venetië.
Het lichaam van Marcus lag begraven in Alexandrië, maar in de 9e eeuw was die stad helemaal onder de invloedssfeer van de Islam gekomen.
Venetiaanse kooplui hebben in 829, onder militaire bescherming, zijn gebeente uit Alexandrië weggehaald. Gestolen zeg maar.
In Venetië bouwden ze een prachtig rijke kathedraal, benoemden Sint Marcus als patroonheilige van de stad en noemden de kerk San Marco.
Eigenlijk kwam er direct na de diefstal van het lichaam een pelgrimage op gang van gelovigen, die zo dicht mogelijk bij de heilige botten wilden zijn om daarmee het heilige te “ervaren” en om een gunst, bijvoorbeeld genezing te vragen.
De aanwezigheid van Sint Marcus in Venetië legde de stad geen windeieren: al die pelgrims moesten natuurlijk onderdak, eten en drinken hebben.
De stad groeide en bloeide en werd rijk van de pelgrims die een bezoek brachten aan de relieken in de San Marco.

Dat bleef natuurlijk niet onopgemerkt.
Geestelijken en burgers uit het stadje Bari bedachten dat de arme Sint Nicolaas in Turkije begraven was, waar het christendom op dat moment ook niet meer werd gepraktiseerd.
In 1087 gingen zij Sint Nicolaas een dienst bewijzen door hem uit die heidense omgeving weg te halen en hem te ruste te leggen in hun eigen kerk in Bari, waar de goedheiligman tot op de dag van vandaag begraven ligt.
Toen ook Bari werd overspoeld door pelgrims naar de toen erg populaire Sint Nicolaas en veel verdiende aan de gelovige gasten, kwamen steeds meer steden op het idee om ook restanten van een heilige te bemachtigen.
Relieken als verdienmodel.

De relikwieën vormden in de late middeleeuwen een bron van levendige handel. Men deed van alles om aan ‘stukjes heiligen’ te komen en er werd maar wat aangerommeld op dat gebied. In Duitsland bijvoorbeeld waren 18 kerken waar een apostel van Jezus begraven lag, terwijl er maar 12 apostelen waren en er zijn zoveel ‘splinters van het heilige kruis’ dat men er wel 20 kruisen van kan maken. De gelovigen werden zo niet alleen financieel maar ook spiritueel bedrogen.

Waarom vertel ik dit?
Donderdagmiddag luisterde ik naar een aflevering van de podcast-serie Tijdgeest (NPO1), ‘De heiligman in de zak’.
Daarin kwam o.a. dit verhaal aan de orde én het verhaal van het hoofd van Sint Justus dat als relikwie in Zutphen werd bewaard, maar dat ten tijde van de reformatie (toen het katholieke geloof verboden was in Nederland) in Antwerpen in veiligheid werd gebracht.
Het verhaal boeide me mateloos, dus mijn waarde van de dag.

Podcast ook luisteren? Hierbij een link. 
Meer weten over de roof van het gebeente van Sint Nicolaas in 1087, lees dan het artikel: Heilige diefstal van de hand van mediëvist Sanne Frequin

Reageren

30 oktober: TBONTB 2 – Iedere dag?

Vaak krijg ik de vraag “Hoe krijg je het voor elkaar om iedere dag een blog te publiceren?”
In dit hoofdstuk dat ik had geschreven voor het boek leg ik uit hoe dat in zijn werk gaat.

Een dagelijks blog in de praktijk.
Schrijven is mijn hobby, dat is een belangrijke voorwaarde voor een dagelijks blog.
Onderwerpen zijn er genoeg; als ik denk ‘Hier kan ik wel een blog over schrijven’ noteer ik dat direct.
Op een los blaadje, in mijn agenda en soms stuur ik mezelf via mijn telefoon een notitie.
Op het werkblad van de website staat de rubriek ‘Concepten’.
Daarin staan altijd twee of drie blogs die al helemaal klaar zijn, een aantal waar ik nog mee bezig ben en een aantal met alleen maar een titel.
Daar wil ik dan nog eens een blog over schrijven als ik tijd heb.
Op mijn vrije dagen maandag en donderdag plan ik voor mezelf minstens een uur ‘blogtijd’ in: mooi muziekje aan en schrijven.
Informatie over het onderwerp opzoeken.
Foto maken of uitzoeken voor de afbeelding, links maken naar andere website’s.
Het overkomt me regelmatig dat ik dan vergeet om te lunchen.
“O, is het al half twee?”
Soms zoek ik een oude foto voor een blog over een familieverhaal en dan ben ik zomaar een uur kwijt; oude fotoboeken en ik zijn een prima combinatie, maar kost wel veel tijd.

Soms doe ik tijden over een blog. Dan wik en weeg ik: zal ik dit nou wel of niet publiceren?
Omschrijf ik dit wel goed? Is zo wel duidelijk wat ik bedoel?  Doe ik niet te moeilijk?
Is dit eigenlijk wel goed Nederlands?
Maar soms gaat het vanzelf; dat is meestal als iets me emotioneel heeft geraakt, dan schrijf ik gewoon op wat ik voel.
Een blog is de ene dag langer dan de andere. Zelf houd ik als limiet 500 woorden aan; meestal zit ik rond de 400.

Inspiratie
Als je op bovenbeschreven manier een blog bijhoudt, hoef je niet iedere dag schrijf-inspiratie te hebben.
Dat heb ik ook niet iedere dag, maar meestal wel.
Het komt voor dat ik voor mijn ogen ‘een blog zie gebeuren’.
Daarbij moet je denken aan onze belevenissen in een wachtkamer of op een ziekenhuiskamer.
Of een beschouwing op gebeurtenissen in een rij bij de kassa.
Soms zou ik een fantastisch blog kunnen schrijven over mijn familie, werk of sociale omgeving, maar dan kan het niet omdat ik dan mensen voor schut zet en dat is niet de bedoeling van mijn verhalen.
Soms denk ik dat ik ergens over kan schrijven (een boek of een voorstelling)  en dan vind ik het niks. Dan schrijf ik ook niks.
Positiviteit staat voorop op mijn website; er is al genoeg negatief gezeur in de media.
Daarom is de subtitel van mijn website ‘een alternatief voor de waan van de dag’.

Meer lezen over het boek 1960 -2020?
Hierbij een link naar de verzamelpagina van de deze blogreeks ‘Te boek ….. of niet te boek’. 

Reageren

29 oktober: Knapperige stokjes?

Toen onze dochters jaren geleden begonnen met vegetarisch eten was dat nog niet heel erg ingeburgerd in Nederland.
Het gaat heel langzaam, maar de vegetarische alternatieven krijgen steeds meer ruimte in de schappen van de supermarkt.
In de loop van de jaren zijn wij  in dit kader opgeschoven naar flexitariër: geen vegetariër die af en toe vlees eet, maar een vleeseter die af toe geen vlees eet.
We proberen soms iets nieuws uit de vega-schappen; gisteren nam ik een pakje ‘Crispy Sticks’ mee.
Aardappels, spitskooltje, gebakken uitje, restje jus, daar moesten de knapperige stokjes bij.

Dan hoop je maar dat het lekker is.
En het was lekker! Beetje pittig, want er zat een beetje chili in.
“Maar wat vervangt dit nou dan?” vroeg Gerard. “Vissticks of zo? Of kipfingers?”
Dat wist ik eigenlijk ook niet.
Het smaakt niet naar vlees en niet naar vis, het smaakt anders.
‘Vleesch noch visch’ dus.

Dat is een oud Nederlands spreekwoord; het wordt gezegd van iets of iemand die men niet tot een bepaalde groep of soort kan brengen.
Van iets halfslachtigs, tot geen partij behoren. Het kan ook betekenen: dubbelhartig zijn of een nietig mens zijn.
Die uitdrukking krijgt er door de vega-groei een geheel nieuwe dimensie bij: in Amsterdam is er zelfs een restaurant/foodtruck met de naam ‘Vleesch Noch Visch’, waar men alleen maar vegetarisch eten verkoopt.
Vleesch noch visch betekent dus inmiddels ook: een vleesvervanger.
Wat voor vlees het dan vervangt weten we dus bij de Crispy Sticks niet, maar dat zal ons ook een worst wezen……

Reageren

28 oktober: Mondkapjes en snoetschoeties.

In deze periode kom ik de deur niet veel meer uit: geen cantorij, geen FysiYoLates, geen clubjes en geen kerkdiensten.
Eén dag in de week ga ik nog naar mijn werk in Groningen en ik ga naar de supermarkt.
In juni schreef ik een blog over mijn eerste ervaringen met de boodschappen-scanner in de Jumbo. (zie: Modern).
We zijn bijna een half jaar verder.
Aan de scanner ben ik inmiddels helemaal gewend, aan corona nog steeds niet.
Soms ben ik al onderweg en ben ik mijn mondkapje vergeten of vergis ik me in de looprichting.
Ook anderen houden zich niet altijd al de coronaregels; voor de Jumbo werd een man streng toegesproken door de handhaver bij de deur.
“Meneer! U moet een kar meenemen!”
“Ja, die ik heb ik al, die staat binnen. Ik moest nog wat lege flessen weggooien die ik terugkreeg omdat er geen statiegeld opzit….” verontschuldigde hij zich.
Hij liep langs de verkeerde route weer naar binnen “U moet langs deze kant!”
De man straalde één en al ongemakkelijkheid uit,  hij werd publiekelijk terechtgezet; hij had er moeite mee.
Eenmaal binnen kwam ik hem weer tegen: hij liep in het ‘hagelslag-pad’ te zoeken, maar liep in de verkeerde looprichting.
Hij hief schuldbewust zijn handen ten hemel: “Sorry, ik doe het weer niet goed zie ik.”
Samen hadden we even pret.

Maar pret is er niet zo vaak als het om corona gaat.
Merel Morre had een leuke quote op Twitter: ‘Wat lukt het sommige mensen toch goed om anderen de maat te nemen. Zelfs op anderhalve meter.’
Maar er is ook veel positiefs en daar gaat het op deze website vooral over.

Het mondkapje met MOI erop dat ik van de kinderen kreeg op mijn verjaardag deed ik maandagmorgen op naar de Jumbo.
In het gangpad bleef een oudere heer staan, stak z’n vinger op, riep blij ‘Moi!” en stak vervolgens z’n duim op.

Deze week zag ik trouwens meer leuke mondkapjes voorbijkomen.
Onze dominee Walter Meijles stuurde een appje met een foto van een mondkapje dat hij had besteld bij de PKN
‘Houd moed. Heb lief.’ staat er op. (zie afbeelding links)
De leukste (vind ik dan hè) zag ik op de website van het ‘Huus van de taol’.
Daar heet het trouwens geen ‘mondkapje’, maar ‘snoetschoetie’;  een schortje voor je snuit dus.
Daar heb ik gelijk maar twee van besteld.
Die kan natuurlijk niet iedereen opzetten, Walter en ik bijvoorbeeld kunnen eigenlijk niet ruilen van snoetschoetie.
Je kunt tegen hem natuurlijk wel Drents praten; hij zal het wel aanhoren denk ik, maar begrijpen?

Reageren

27 oktober: Nederlands maar dan anders (17)

Eind augustus kwamen in een aflevering van ‘de Slimste mens’  een paar fraaie Engelse vertalingen van Louis van Gaal voorbij. Die had ik nog niet gehoord!
– Running behind the facts
– The three points are inside
– It’s the goals that counts
Onze Engelse schoonzoon Jon vindt het altijd geweldig om zulke kromme vertalingen te horen. Zelf moest hij vreselijk lachen om ‘He did n’t have it in the holes’.

Tijdens een wandeling in Baarn kwamen we langs een viswinkel.
Daar ontdekten we een mismatch op het gebied van naamgeving.
De winkel heette ‘het Vrolijke visje’; een wrange naam als je je realiseert dat elke vis in die winkel dood is.

Van het Twitter-account van mijn favoriete dichteres Merel Morre  haalde ik tijdens de zomervakantie deze opmerking:
Mensen die beweren dat er sprake is van een droogterecord hebben waarschijnlijk nog nooit mini-eierkoeken van de Spar gegeten.’
Niet een fout of een verspreking, maar geweldige humor.

We blijven even bij eten: in de discussie over hoe vroeg Sinterklaas & Kerst dit jaar in het winkelaanbod verschenen dacht iemand bij pepernoten kennelijk aan kogels: “Ik zag de kruitnoten en chocoladeletters al in augustus!”

In de discussie over de maatregelen die begin oktober werden aangescherpt in het corona-beleid las ik in een reactie op Nu.nl: Rutte heeft gewoon gekozen voor de vergulde middenweg.

Carlijn stuurde mij deze afbeelding, daarbij schreef ze het volgende.
“Ik zie wel eens vaker DT-foutjes, maar deze….”

Boekenvriendin stuurde mij deze: ‘Hoor ik net een arts op TV zeggen: amputatie van een onderbeen of amputatie van een bovenbeen.’

Half september mocht er nog publiek bij voetbalwedstrijden aanwezig zijn, maar dat hield zich niet aan de anderhalve-meter-maatregel. Een verslaggever zag dat het gierend uit de klauwen liep, maar hij verwoordde het wat krom: “Je ziet gewoon dat het vreselijk uit de klauwen giert’.
Deze week was in het nieuws dat de gemiddelde melkproductie per koe met ruim 400 kg  is gestegen.
Een deskundige: “Waarschijnlijk speelt de fosfaatregelgeving ook een groot onderdeel hierin.”

Ergens in het land had een spreker gezegd “Je moet je niet doodstaren op een blinde mus.”
Toen later iemand hem vroeg wat hij met dit bijzondere, onbekende spreekwoord bedoelde, bleek dat hij zelf dacht dat dit spreekwoord dezelfde strekking had als “Je moet niet aan een dood paard blijven trekken’. Als je blinde paarden en dode mussen door elkaar gaat halen is er voor niemand meer een touw aan vast te breien…..of was het nou haken?

Is je ook een leuke taal-blooper opgevallen? Laat het me weten.
Klik hier  voor het blog Nederlands maar dan anders deel 16, van daaruit kun je doorlinken naar voorgaande blogs in deze serie.
Vergeet ook niet te kijken op het instagram-account Treintaal.
In een treingesprek deed iemand kennelijk iets heel bijzonders: “Je haalt me de tanden uit de mond.”

Reageren

26 oktober: Foto’s en melancholie.

Vrijdag 23 oktober was de verjaardag van mijn moeder.; ze zou anders 89 geworden zijn. (zie 23 oktober 2017)
Niet dat ik daar heel lang bij stil stond, maar ik begon die middag wel aan een klus die al een tijdje op mijn ’things to do’-lijstje stond: het hele fotoarchief van mijn ouders uitzoeken, rubriceren en archiveren.
Foto-archief klinkt opgeruimd, maar dat is het niet.
Het bestaat uit een hele grote krat met allemaal soorten en maten fotoalbums, waar wel iets van een chronologische volgorde in zit, maar eigenlijk ook niet.
Een mooie klus om op zo’n bijzondere datum mee te beginnen.

1956 Dikke verkering

Na twee dagen had ik alles in handen gehad en bekeken.
Het is de bedoeling dat ik van alles wat er is twee mooie albums ga aanleggen voor in het familiearchief.
De rest gaat weg.
De albums vallen allemaal bijna uit elkaar, de fotohoekjes zijn verstaft en schilferig en er staan heel wat plaatjes in die mij al niets meer zeggen, dus voor mijn kinderen hoef ik het niet te bewaren.
In twee dagen was het hele leven van mijn ouders weer even voorbijgekomen; er bleef een wolk van herinneringen in mijn hoofd hangen.
Foto’s roepen bij mijn altijd melancholieke gevoelens op, maar eigenlijk is melancholie niet het goede woord.
Als je dat woord opzoekt blijkt dat het betekent:  een gemoedstoestand die zich kenmerkt door een verdrietige kijk op het verleden of een onvervuld verlangen.

Geen sprake van.
Niet verdrietig en geen onvervuld verlangen.
Dankbaarheid overheerst bij het overzien van het leven van mijn ouders.
Goede herinneringen en naast de dieptepunten (die er natuurlijk ook waren) veel hoogtepunten en momenten van diep geluk.
Gelukkig hebben we de foto’s nog.

Reageren

25 oktober: Zestig.

Zestig jaar geleden werd ik geboren.
Mijn twaalfde lustrum dus.
In onze sociale netwerken worden dit soort mijlpalen uitbundig gevierd, dus wij hadden ook al plannen voor een groot feest met gezin, familie en vrienden.
Hadden, want corona doorkruiste onze plannen.
Het grote feest hadden we begin september al uit ons hoofd gezet en alle sub-feestjes in zaaltjes met aparte groepen familie en vrienden sneuvelden één voor één in de weken hiervoor.
We hebben alles afgeblazen met de belofte: ‘Volgend jaar wordt Gerard zestig en dan geven we in juni een spetterend feest ter gelegenheid van beide verjaardagen. Samen 120, zoiets’.
Maar zelfs met ons gezin uit eten kon niet en we konden onze dochters met hun mannen ook niet thuis ontvangen, want je mag maar 3 personen over de vloer hebben.
Dat vonden we wel heel zuur……

Gerard kwam na de afkondiging van de gedeeltelijke lockdown op een briljant idee.
“Wij huren 4 hotelkamers bij Langewold hier in Roden* . Daar mogen we met toepassing van alle maatregelen wel samen eten in dat restaurant en dan gaan we ’s avonds een potje kegelen.”
Maar o, wat was het nog spannend afgelopen week.
Krijgt niemand corona? Hoeft niemand in quarantaine? Hoeft niemand een test?
Het mocht allemaal doorgaan.

Toen de kinderen aankwamen in het hotel, bleek dat ze allemaal speciale mondkapjes ophadden: zelf versierd met teksten en tekeningen.
Die van Gerard was door Frea gemaakt: “Gefeliciteerd Olle Dakdoeve” (zie Instagram) stond er op met een tekening van een mooie grijze duif.
Verder kreeg ik een rozet met mijn nieuwe leeftijd en een mondkapje met MOI er op.
In het restaurant van Langewold had men een hoek voor ons gereserveerd en mooi versierd met slingers en ballonnen.
Daar konden we met z’n achten genieten van een ‘anderhalve-meter-diner’ en hieven we het glas op mijn 60e verjaardag.
Daarna gingen we een ouderwets potje kegelen; het was spannend, het was leuk en heel gezellig.
Vanmorgen sloten we de feestelijkheden af met een ontbijtbuffet en na een laatste kop koffie zwaaiden we iedereen uit.

Dit weekend werden en bloemen bezorgd, kaarten, een boekenbon en zelfs een flesje port!
Daardoor voelde ik me erg verwend en absoluut niet vergeten.
Verder kreeg ik veel lieve appjes en mails en ik besloot die ook tastbaar te maken door alle namen uit te schrijven op ons ‘whiteboard’.

Zestig worden in coronatijd.
Dan heb je al 59 verjaardagen kunnen vieren zoals je dat zelf graag zou willen, behalve die in 2014  toen ik op mijn verjaardag werd getroffen door een hartinfarct en opgenomen moest worden in het Martiniziekenhuis.
Op het blog van 25 oktober 2015 schreef ik: Vorig jaar grapte de cardioloog na het plaatsen van de stents dat hij mij een heel duur kado had gegeven op mijn verjaardag: drie interne juwelen!
Qua prijs waren de cadeaus dit jaar een stuk bescheidener,  maar het mooiste kado was dat ik mijn verjaardag gewoon kon vieren!

En ook al was het niet zo uitbundig als vooraf bedacht: ook dit jaar was het feit dat ik mijn verjaardag (met de kinderen in ieder geval) kon vieren mijn mooiste cadeau.

* Toen we afrekenden bij het hotel hoefden we geen toeristenbelasting te betalen; we wonen immers in Roden.

Reageren

24 oktober: Zus zes en de blije vallei.

Vorige week las ik het boek ‘Zon’ uit, deel 6 in de Zeven-zussen-serie van Lucinda Riley.
In dit boek staat Electra centraal, de jongste zus.
Ze is een wereldberoemd, zwart model; als je haar in dit boek leert kennen is ze niet te pruimen.
Egoïstisch, verwend, arrogant en verslaafd aan drank en drugs; lekker ding dus.

Waar de vorige vijf zussen zelf op zoek gingen naar hun afkomst, heeft Electra daar in eerste instantie helemaal geen belangstelling voor.
Zij wordt zelf benaderd door haar (voor haar tot dan toe) onbekende grootmoeder en hoort van haar waar zij vandaan komt.
Het verhaal van de grootmoeder begint bij de blanke, rijke Amerikaanse jonge vrouw Cecily die op bezoek gaat bij haar peetmoeder Kiki Preston, die in Kenia woont.
Dan kom je als lezer terecht in de ‘Happy Valley set’. Dit vond ik erover op internet: het was een groep hedonistische, grotendeels Britse aristocraten en avonturiers, die zich tussen de jaren 1920 en 1940 in de Happy Valley-regio in het koloniale Kenia vestigden. In de jaren dertig werd de groep berucht om zijn decadente levensstijl en uitbuiting te midden van berichten over drugsgebruik en seksuele promiscuïteit.
Ook allemaal lekkere dingen dus.
Een aantal figuren uit de Happy Valley-scene die in dit boek worden beschreven, zoals Kiki Preston, hebben echt bestaan.
Dan lees je over drugsmisbruik, overspel en moord en tot je stomme verbazing kom je er achter dat dat ook in het echt heeft plaatsgevonden.
Dan kun je constateren dat het leven van ’the rich and famous’ van tegenwoordig niet eens zo heel anders is dan dat van de ‘Happy Valley’-bewoners honderd jaar geleden.

Cecily gaat door omstandigheden gedwongen niet gelijk terug naar Amerika.
Zij wordt opgenomen in die verdorven wereld van de Happy Valley set, maar weet zich aardig goed staande te houden, wat heel bijzonder is, want er wordt wat afgezopen en gesnoven in die hoofdstukken.
Deze Cecily is geen bloedverwant van Electra, maar wel de pleegmoeder van de grootmoeder, die afstamde van een Masai-stam.
Na de oorlog, dan heeft Cecily haar ouders al 8 jaar niet gezien, gaat ze terug naar Amerika, in gezelschap van een bediende, een Masai vrouw en haar gitzwarte dochtertje.
Dat levert een hoop problemen op in het dan nog erg racistische Amerika.
Het boek neemt je mee naar de mensen die zich in de jaren ’40 en ’50 inzetten voor de burgerrechtenbeweging en hun zware strijd tegen de rassenongelijkheid; in dit deel kom je namen tegen als Martin Luther King en Rosa Parks.

Het verhaal van Electra is minder spannend en (voor mij) te uitgebreid. De problematiek in dit boek, drank- & drugsverslaving en racisme, wordt realistisch beschreven, maar de drastische verandering qua levensstijl en persoonlijkheid van Electra komt niet erg geloofwaardig over. Beetje te mooi om waar te zijn.
Het boek had wel met 200 pagina’s minder toegekund.
Electra stamt dus af van de Masai uit Kenia, maar daar lees je helemaal niets over, het hele boek is geschreven vanuit een blank perspectief.

In de allerlaatste alina van boek horen we dat er onverwacht nieuws is van de zevende zus.
Die we dus nog helemaal niet kennen, want er worden steeds maar zes zussen genoemd.
Een cliff-hanger van jewelste.
Slim meisje, die Lucinda…..

Benieuwd wat ik vond van de andere delen?
Hierbij een link naar een overzichtspagina: ‘De zeven zussen-serie’ met links naar de afzonderlijke blogs.

Reageren

23 oktober: Te boek….of niet te boek 1 – Wat kleurt mijn dag?

Zoals al eerder aangekondigd: wat ik zou publiceren in het boek dat niet zal verschijnen komt in blogs aan de orde in de nieuwe blogserie ‘Te boek….. of niet te boek’. Nu nog voluit geschreven, maar in de volgende delen afgekort als TBONTB.
Vandaag een blog over het eerste hoofdstuk: ‘Wat kleurt mijn dag?”
Als je in het menu klikt op ‘Home’, dan kun je in het sub-menu naar ‘Wat kleurt mijn dag’.
Op die introductiepagina schrijf ik over de inhoud van mijn dagen; daarbij link ik ook naar vier blogs die een mooi voorbeeld zijn van hoe mijn dag soms wordt bepaald door kleine voorvallen.
Voor dit thema schreef ik ook nieuw blog onder de titel ‘Dagjesmensen’

2020: Dagjesmensen. Wij?

In de zomer van 2020 werden we met z’n allen in de greep gehouden van corona.  Anderhalve meter afstand,  geen handen schudden,  regelmatig handen wassen en/of ontsmetten en hoesten en niezen in je elleboog. Wij gingen niet op vakantie naar Zweden; in plaats daarvan deden we in september een huizenruil met een vriendin in Baarn. Dat betekende een zomer lang doorwerken, maar wij deden iedere week wel één dag iets vakantie-achtigs.  Dagje dierentuin in Emmen met dochters en schoonzonen, een dagje fietsen met een lunch en een terrasje of een dagje uit met neef Cor.

Donderdagavond 13 augustus kwam Gerard ’s avonds thuis om 17.15 uur.
“Zo, mijn weekend is al begonnen, ik heb morgen een vrije dag!”
Het zou mooi weer worden vrijdag en ik had net die week ontdekt dat ik meer vrije dagen tot mijn beschikking had dan ik dacht dus ik zei: “Zal ik morgen ook vrij nemen?”
Vrijdag 14 augustus nam ik dus een snipperdag; die morgen bracht ik door achter mijn computerscherm, bloggen en werken aan het boek en ’s middags was het warm en gingen we fietsen in de buurt van Eernewoude. (Op de afbeelding het pontje bij De Veenhoop). Toen we door een druk en zeer toeristisch deel van Eernewoude fietsten zei Gerard: “Druk man hier. Campinggasten, booteigenaren, huurders van vakantiehuisje en natuurlijk veel dagjesmensen. Dat zijn wij ook.” (Lees meer over deze dag in ‘Omdenken in Friesland‘.)

O? Zijn wij dagjesmensen?  Een oubollige naam vind ik dat.
Wat zijn eigenlijk dagjesmensen? Ik zocht het op.
Mensen die een toeristisch reisje maken zonder overnachting.

Ja,  dat klopt wel. Was ik dus een dagjesmens.
De dagjesmensen sloten hun dagje af in Roden.
We streken neer op het terras van Bella Sardegna waar we genoten van een wit biertje,  knisperkoude zoete witte wijn en een pizza.
Een onverwachte vrije dag die van ons dagjesmensen maakte; we overnachtten immers weer gewoon in ons eigen bed.
Onder ‘Home’ in het menu vind je naast ‘Wie ben ik’ het submenu: ‘Wat kleurt mijn dagen?’
Onder andere dit dus: onverwacht een vrije ochtend om te schrijven en ’s middags zomaar een dagjesmens worden.

Meer lezen over het boek 1960 -2020?
Hierbij een link naar de verzamelpagina van de deze blogreeks ‘Te boek ….. of niet te boek’. 

Reageren

22 oktober: Now I understand

Een maandagmiddag in oktober, ‘witte-tornado-dag’ in huize Waninge.
Om het huishouden wat te verlichten luister ik naar Radio 5, maar vanaf 14.00 u wordt  daar  een programma uitgezonden waar ondertussen ook bingo met de luisteraars wordt gespeeld.
Niks mis met bingo, maar ik hoef al die nummers niet op de radio te horen.
Gelukkig hebben we tegenwoordig overal podcast’s van, dus rond twee uur gingen mijn oortjes in en luisterde ik naar mijn favoriete programma Goudmijn, de uitzending van zaterdag 28 september.

Er kwam een luisteraar aan de telefoon die vertelde dat ze de liedjes van Don McLean uit 1971  zo mooi vond.
Oh ja, vond ik ook.
In de jaren ’70 had ik een album van hem, ‘American Pie’ heette het; in 2017 schreef ik al eens een blog over een ander nummer op dat bandje ‘The grave’
Die mevrouw had het over ‘Vincent’. Veel mensen vinden het een ‘zeurlied’ omdat het zo bekend is en op Arbeidsvitaminen en soortgelijke programma’s helemaal grijs gedraaid is.
Zij had zich nooit zo gerealiseerd dat dat lied ging over Vincent van Gogh en dat Don McLean met zijn tekst schilderijen die Van Gogh ooit geschilderd heeft beschrijft. Ik citeer even die mevrouw: “Deze week stuurde iemand van mijn schilderclub mij een link naar een video van Vincent, met beelden van de schilderijen erbij. Toen begreep ik pas wat hij zong. Als je die beelden erbij ziet wordt het ineens duidelijk.”

Ook ik begreep als 17-jarig niks van de tekst. Zeg nou zelf……

Starry, starry night
Flaming flowers that brightly blaze
Swirling clouds in violet haze
Reflect in Vincent’s eyes of china blue
Colors changing hue
Morning fields of amber grain
Weathered faces lined in pain
Are soothed beneath the artist’s loving hand

Op internet zocht ik de bewuste video op, luisterde naar het lied en bekeek de schilderijen die werden getoond.
Wat mooi.
Ook ik was al ‘uitgeluisterd’ op dit nummer van Don McLean, maar op deze manier luister je met andere oren; en omdat je ogen ook meedoen en komt de schilder Vincent dichterbij.
Ook even luisteren én kijken? Hierbij een link 

Reageren

Pagina 196 van 411

Mogelijk gemaakt door WordPress & Thema door Anders Norén