Als het gaat over mijn jeugd in Hoogersmilde ben ik vrijwel altijd positief; dat ligt ook aan mijn eigen kijk op de dingen. Mijn broer bijvoorbeeld heeft helemaal niks met het dorp uit onze jeugd.
Vandaag een verhaal over hoe verzuild het dorpje in de jaren ’60 was.

Het verhaal begint met de twee vriendinnetjes Alny en Ada. De beide meisjes waren in 1963 in de nieuwbouwhuizen aan de Servatiusstraat komen wonen, zij op nummer 9 en ik op nummer 13. Van dezelfde leeftijd (1960) en al gauw onafscheidelijk. We speelden samen bij haar thuis, bij mij thuis en heel veel buiten met de andere kinderen. Onze vaders werkten allebei op de steenfabriek van Roelfsema, maar de gezinnen trokken samen niet heel veel op: wij waren protestant, zij niet. Dat betekende in de volwassenenwereld dat je in een andere ‘zuil’ zat, maar daar hadden wij als kinderen geen weet van. Als ik op zondag met Alny speelde dan ging ik wel eens mee naar een voetbalwedstrijd van SVH. Mijn ouders deden daar niet moeilijk over, maar raar was het wel, dat voelde ik als kind al aan. Kreeg ik een patatje van haar vader, vroeg een dorpsgenoot aan mij “Mag jij dat wel?”

Alny en ik bezochten samen de kleuterschool; op de groepsfoto hiernaast staat ze op de achterste rij, ze is het derde kind van rechts; ik ben het blonde meisje schuin voor haar. 
We waren altijd samen.
Maar.
Toen we in 1967 naar de lagere school moesten ging zij naar de Openbare school tegenover ons en ik moest anderhalve kilometer fietsen naar de Christelijke Nationale School aan de Rijksweg. Maar dat maakte voor ons niet uit: wij bleven vriendinnetjes, al werd dat wel wat lastiger, want er vormden zich groepjes. Je hoorde bij de openbaren of bij de christelijken en zij en ik hoorden allebei bij een andere groep.

Na een jaar ging Alny verhuizen: haar ouders kochten een huis aan de Rijksweg tegenover de steenfabriek. In het begin zochten we elkaar nog op, maar dat werd ons niet gemakkelijk gemaakt: als we bij elkaar waren werden we er door onze eigen groep onophoudelijk op gewezen dat we niet met elkaar mochten spelen. Wij  waren overlopers! Onze ouders, alle vier import-Hoogersmildigers vonden het verschrikkelijk, maar zij konden er niet veel aan doen, zo was het nu eenmaal in het dorp.
Het is ons dan ook niet gelukt om onze vriendschap te behouden.

Toen ik in de zesde klas van de lagere school zat mocht ik op gitaarles en tot ons onuitsprekelijk geluk hadden onze vaders beslist dat Alny en ik samen muzieklessen zouden gaan volgen bij Marinus Boer in Dwingeloo. Zij woonden inmiddels in Geeuwenbrug en iedere zaterdag reden de vaders ons om en om naar muziekles. Op woensdagavond gingen we naar  de Mandolineclub: samen zingen en musiceren!

afbeelding: geschiedenis-oefenen.nl

Alny en ik zijn in de loop van de jaren uit elkaar gegroeid, niet door het idiote zuilengedoe, maar omdat we inmiddels in verschillende delen van Drenthe woonden.
Het verhaal van de ‘openbaren’ en de ‘christelijken’: soms vertel ik er wel eens over, maar als je het zelf niet hebt meegemaakt, kun je je er helemaal niets bij voorstellen.