een alternatief voor 'de waan van de dag'

Categorie: Lezen Pagina 1 van 14

2 maart: Eitjes van een vlieg.

Toen ik ziek was had ik tijd om te lezen. Er lagen nog twee ongelezen exemplaren van één van mijn favoriete schrijvers Peter Robinson en ik koos voor ‘Zondeval’, een ‘Inspector Banks detective’.
In de boeken die ik al in die serie had gelezen was Banks gescheiden van zijn vrouw en beleefde hij van alles op amoureus gebied, maar in dit boek is hij nog gelukkig getrouwd. Je leest wel dat hij helemaal op gaat in zijn werk en bijna geen tijd heeft voor zijn gezin; een voorbode.

Het begint al weer super-griezelig met de vondst van een lichaam dat er al even ligt: ‘.….het was net of het bewoog; het vlees golfde letterlijk op en neer…” 
Later blijkt dat men aan de hand van dat golvende vlees kan achterhalen hoe lang het lichaam daar al ligt: men weet namelijk hoe lang het duurt voor de eitjes van een dikke zwarte vlieg er over doen om dikke maden te worden.
Brrrrrr.
Het duurt dan ook wel even voor men er achter is wie het slachtoffer is.
Het is Bernard Allen, een vroegere dorpsbewoner van Swainshead, die naar Canada is geëmigreerd, maar die even terug was voor een korte vakantie. Als lezer heb je dan al weer meer vragen dan antwoorden.
Wat weten die twee rijke broers Collier die het geïsoleerde dorp domineren en gebruik én misbruik maken van hun positie?
En waar is eigenlijk die Anne Ralston die vijf jaar geleden zomaar verdween?
Verder heb je intens medelijden met de simpele en wereldvreemde Katie, die door haar supergelovige grootmoeder is opgevoed en nergens van kan genieten omdat dat ‘zondig’ is.  Ze wordt gekoeioneerd door haar man en is in haar onschuld toch iemand die meer weet van de misdrijven, maar uit angst niks zegt.

De oplossing van dit mysterie ligt in Canada.
Banks gaat daar dus ook naar toe voor onderzoek.
Schrijver Robinson woonde daar vanaf zijn studie: hij laat Banks naar Toronto vliegen.
Voor mij herkenbaar: toen wij in 2017 onze vakantie doorbrachten in Canada hebben we die stad ook bezocht en ik herkende de toeristische hoogtepunten die Banks ziet.
Verder is het leuk om te lezen hoe de door en door Britse inspecteur eerst op zoek gaat naar een kop thee. An Englishman in Canada.

Natuurlijk wordt de misdaad opgelost, maar niet nadat er nóg een dode is gevallen.
In dit boek schemert op de achtergrond het eeuwenoude en wereldwijde probleem: rijkeluiskindjes komen overal mee weg.
Tenminste, dat denken ze.
Maar soms zegeviert het recht.
Tenminste, in boeken.
Tevreden sloeg ik de laatste bladzijde om met de opwekkende gedachte dat er nóg een boek van Robinson op mij ligt te wachten.

Benieuwd naar de andere boeken ik al heb gelezen in deze serie?
Hierbij drie links:

Verdronken verleden  2015

Slachthuisblues  2022

Nasleep  2023

Reageren

9 februari: Twee koningen in de jeugdliteratuur.

In de herfstvakantie van vorig jaar vond ik op de boekenzolder van ‘Puutje Snoep’ in Westerbork twee bekende boeken die ik nog niet gelezen had. Ze kwamen al uit in mijn jeugd: ‘Brief voor de koning’ van Tonke Dragt uit 1962 en ‘Koning van Katoren’ van Jan Terlouw uit 1971.
Allebei de boeken worden geloofd en geprezen als zijnde iconen van de Nederlandse jeugdliteratuur, maar aan mij zijn ze destijds helemaal voorbij gegaan.
Dat ging ik inhalen. In mijn nieuwjaarsvakantie begon ik aan ‘Brief voor de koning’ en leefde mee met de 16-jarige Turi die na een doorwaakte nacht tot ridder zal worden geslagen, maar die door een oude vreemdeling wordt weggeroepen en vervolgens spannende avonturen beleeft.
Drie avonturen heb ik gelezen en toen was het wel klaar, dat hield ik niet nog tientallen bladzijden vol, dus ik las hoe het afliep en legde het boek verder ongelezen weg. Ik ben tenslotte geen dertien meer, het is niet echt meer voor mij bedoeld. Het deed me denken aan de reis die wordt beschreven in ‘De ban van de ring’ en dat vond ik destijds ook niet om door te komen.

Na deze teleurstelling duurde het even voordat ik mij durfde te wagen aan ‘Koning van Katoren’, maar mensen: wát een ander verhaal!
Een spannend en meeslepend boek was het! Ook nu is een jonge jongen de hoofdpersoon, Stach heet hij. Hij wil graag koning van de Katoren worden, maar wordt daarin behoorlijk dwars gezeten door de 6 zittende ministers die na het overlijden van de vorige koning de macht hebben gegrepen. Ze geven hem moeilijke opdrachten, waarvan ze op voorhand denken dat Stach ze niet eens zal overleven. Dan zijn zij mooi van hem af.

Jan Terlouw vertelt een sprookje met een dubbele bodem: de moeilijkheden waar Stach mee wordt geconfronteerd lijken namelijk erg op allerlei bekende maatschappelijke problemen. De krijsende vogels van Decibel bijvoorbeeld staan voor geluidsoverlast, de granaatappelboom van Wapenfelt voor de wapenwedloop en de draak van Smook is een metafoor voor de milieuvervuiling.

De allermooiste vergelijking vond ik de schuifelende kerkgebouwen van de plaats Uikumene.
De kerken bewegen uit zichzelf voorwaarts en verpletteren alles wat zich op hun weg bevindt: huizen, bomen en mensen en zelfs de woning van de burgemeester. Het lukt Stach om kerken naar elkaar toe te laten schuifelen zodat ze midden op de Markt één grote kerk vormen.
Dit probleem symboliseert natuurlijk de grote hoeveelheid religies en kerkgemeenschappen die allemaal een eigen ramkoers volgen.

Het spannendste en meest duistere deel van het verhaal ging over de tovenaar van Ekilibrië; Pantaar heet hij.
Hij vraagt iedere avond van één van de inwoners een aalmoes: iets waaraan men zich gehecht heeft. De vraag is: wat heb je het meeste lief?
Stach komt in het hol van de leeuw als Pantaar hem meeneemt omdat de tovenaar denkt dat hij het meest geliefde object van de burgemeester is.

Ben je 63, sla je nagelbijtend van de spanning de pagina’s om. Een verhaal over politieke spelletjes en machtsmisbruik, over de corrumperende werking van monopolies, maar vooral ook over de kracht van samenwerken.
Ook nog niet gelezen? Alsnog doen!

Reageren

3 februari: Aandacht voor het laatste stukje.

Als je ‘Sander de Hosson’ intikt bij de zoekfunctie van deze website vind je twee blogs: één uit 2016 met zijn naam als titel en één uit 2017 onder de titel ‘Een longarts met een verhaal‘.
Sander schreef in die jaren columns in het Dagblad van het Noorden die me raakten.
Hij timmerde aardig aan de weg. Hij schreef columns en gaf interviews over een moeilijk onderwerp, namelijk omgaan met de dood tijdens het behandelingsproces dat je als arts hebt ingezet. 
“Moeten chemo’s altijd worden doorgezet? Ja, wij artsen worden opgeleid om mensen beter te maken, maar we hoeven onze ogen toch niet te sluiten voor de dood die er onherroepelijk aan komt? De arts stelt al snel een andere behandeling voor, maar wat wil de patiënt?
Wat is de kwaliteit van leven en hoe zorgen we voor een waardig einde, in plaats van na eindeloos doorbehandelen roepen “dat de patiënt de strijd op heeft moeten geven of heeft verloren. Hoezo verloren. Van de dood ‘wint’ niemand”. 

Inmiddels zijn we 7 jaar verder. 
Sander heeft veel bereikt en heeft drie jaar geleden ‘Carend‘ opgericht, ‘Centrum voor Palleatieve zorg’. 
Van collega Jolanda kreeg ik het boek ‘Leven toevoegen aan de dagen’ te leen. 
Op de kaft staat als subtitel ‘Van slechtnieuwsgesprek tot laatste adem en rouw – hoe een stervensproces verloopt’
Geen ‘leuk’ boek overigens.
Veel verhalen uit de praktijk en uitleg over de laatste fases van een mensenleven.
Rauwe verhalen.
Eerlijke verhalen. 
Sander schetst wat er gebeurt vanuit zijn perspectief als arts en laat je als lezer meedenken. 
Het nam mij ook mee terug naar het laatste stukje van mijn moeders leven in 2017.
Hoe stonden wij daar toen in?
En wat waren de adviezen destijds?
Verder schrijft hij ook hoe anders het is als de patiënt die in bed ligt je moeder is. En hoe er dan compleet andere processen spelen. 

Een verhelderend boek.
Wat ik er van heb geleerd is om het levenseinde bespreekbaar te maken. 
Als er niet over gepraat kan worden kan het zo maar gebeuren dat iedereen wist dat het einde aanstaande was, maar dat het niet benoemd is. 
Dan kunnen er geen afspraken worden gemaakt over specifieke wensen omtrent het laatste stukje leven en de afscheidsplechtigheid. 

Neem eens een kijkje op de website van Carend, hierbij een link
Je vind er mooie columns, maar ook podcast om te beluisteren; Sander komt daarin ook zelf ook aan het woord. 

Reageren

30 januari: Rosemarie Trilogie

Na het boek ‘de Kleindochter‘ wilde ik even iets gemakkelijkers lezen; in mijn kast lag nog een triologie van Jos van Manen Pieters die ik een keer uit nostalgische overwegingen had gekocht op de Roder Boekenmarkt.
De schrijfster kende ik van de Tuinfluiter-trilogie en van ‘Het scheepje van papier’.
Dan weet je precies wat je krijgt: een familieroman bezien vanuit een christelijk perspectief.

Ik begon er in te lezen in december en in mijn nieuwjaarsvakantie las ik het uit.
In het eerste boek leren we Rosemarie kennen: door een ongeluk in haar vijfde levensjaar mist ze een hand en ze is door haar moeder daarna veel te beschermd opgevoed: het kind was wereldvreemd geworden door de niet aflatende en verstikkende zorg van haar moeder. Maar gelukkig ontmoet ze Menno, een sterke man die haar helpt en haar ten huwelijk vraagt.
In het tweede boek krijgen Rosemarie en Menno hun eerste baby en hun kraamverzorgster Wilma brengt het hart op hol van Menno’s broer Harm.
In het laatste deel ligt het accent op Hella, het jongste zusje van Wilma, dat in een verkeerd milieu is beland en door Menno en Rosemarie in huis wordt genomen. Ook zij vindt een sterke man in een collega van Menno die met haar wil trouwen.

Het boek kwam eind jaren 60 op de markt, ik heb een zesde druk uit 1970.
Toen was de bedoeling van het leven als vrouw dat je trouwde en kinderen kreeg.
De kraamhulp kwam nog minstens twee weken en de kraamvrouw bleef 10 dagen op bed.
De man was sterk, besliste bijna alles, gaf zijn vrouw goede raad, begeleidde haar en knapte de moeilijkheden op.
De man was aan het werk, de vrouw zorgde.
Voor het huishouden, voor de kinderen en voor de man.
Als Harm een goede baan kan krijgen in Zwitserland zegt Wilma: “Harm gaat naar het buitenland; ik moet dan mee om voor hem te zorgen.”
Wat opvalt is dat de vrouwen beslist geen doetjes zijn en behoorlijk tegengas geven: voor die tijd waren de dames al behoorlijk geëmancipeerd.
Maar de schrijfster vindt een meisje dat veel flirt ’teugelloos en behaagziek’.
‘Manziek’ kwam ook een paar keer voorbij.

Het boek ademt de christelijke moraal van die tijd.
We lezen de morele strijd die gevoerd wordt in de gedachtenwereld van de hoofdpersonen; er wordt regelmatig uit de bijbel geciteerd, sterker nog: er is zelfs een deel van een hoofdstuk uit Mattheüs opgenomen over dat je zeven maal zeventig maal moet vergeven.

“Wat lees je?” vroeg dochter Harriët.
Toen ze de eerste pagina had gelezen zei ze: ‘Wel goed voor je Nederlands dit. En wat is eigenlijk kruivend haar…..”
Je komt nog woorden tegen als ’talmen’ en ‘deernis’.
Een mooi tijdsbeeld; Jos schrijft fijn, al zouden we sommige passages nu langdradig vinden.
Op de website Tzum vond ik een interview met Jos van Manen Pieters uit 2004,  hierbij een link.
Interessant is dan gelijk al de eerste zin: “Ik houd helemaal niet van trilogieën!”

Reageren

12 januari: De kleindochter.

Mijn vader is geboren in 1932; toen de 2e wereldoorlog uitbrak was hij 7 en bij de bevrijding in 1945 was hij 12, bijna 13. Voor Nederland was die oorlog ontwrichtend.
In het boek ‘De kleindochter’ van Bernhard Schlink lees je wat die oorlog heeft gedaan met de Duitsers, terwijl dat niet het hoofdonderwerp van het boek is.

De hoofdpersoon is boekhandelaar Kaspar; als het boek begint is hij vanaf zijn werk op weg naar huis en daar vindt hij zijn vrouw Birgit dood in bad.  Ze was verslaafd aan alcohol Bij het opruimen van haar spullen vindt hij na een paar maanden een door haar geschreven manuscript; het is een boek dat ze had willen schrijven over haar leven. Daarin leest Kaspar over hun ontmoeting in de jaren ’60 toen hij als westerse student uit pure nieuwsgierigheid vaak over de grens naar de nog jonge DDR ging om te ervaren hoe anders de maatschappij daar toen was. Hij leest over haar vlucht naar het westen voordat ze met hem trouwde, maar hij leest ook dat ze daarvóór een kind had gekregen dat ze daar heeft achtergelaten. Met die ontdekking eindigt het eerste deel van het boek.

In het tweede deel gaat Kasper op zoek naar de dochter van Birgit, Svenja.
Hij vindt haar in het noorden van voormalig Oost Duitsland; ze is getrouwd met Björn, beiden overtuigde rechtsradicalen, maar ook hun dochter Sigrun. Het meisje komt ondanks het verzet van haar argwanende, achterdochtige en op geld beluste ouders een week bij haar stiefgrootvader logeren. Haar rechts-extremistische ideeën staan lijnrecht tegenover die van Kaspar, die heel voorzichtig probeert (vooral met muziek en literatuur) het meisje ook de andere kant te laten zien.

De ontroering in dit boek zat voor mij in het hoofdstuk waarin Kaspar en Sigrun op haar verzoek een bezoek brengen aan Ravensbrück.
De wrede kampbeul Irma Greese is één van haar helden en ze vindt de verhalen over de holocaust sterk overtrokken. Waar hij lichamelijk onpasselijk wordt van wat hij ziet in het concentratiekamp, is zij vooral bezig met het vergoelijken van wat daar in de oorlog gebeurd is.

Je leest over de levens van een aantal Duitse mensen en op de achtergrond weet je uit de geschiedenis wat er gebeurd is.
Het verschil tussen de mensen uit West Duitsland en Oost Duitsland, het verschil tussen links-liberaal en extreem rechts en het collectieve trauma van de 2e Wereldoorlog dat het land nog steeds verscheurt: dat is het behang in deze roman dat op de achtergrond door de zinnen en woorden heen aanwezig is.

‘De kleindochter’ neemt je mee naar het Duitsland van toen en nu en je leert: ‘de Duitser’ bestaat niet.
Dat wist ik al, want ik ben opgevoed door mijn vader, die ons kennis liet maken met de Duitse geschiedenis.
Na dit boek dacht ik terug aan wat mijn vader ooit zei: “Als je in 1932 in Oost Duitsland bent geboren was je 8 toen de oorlog uitbrak en had je geen normale kindertijd. Toen je 30 was werd je opgesloten achter het IJzeren Gordijn en die muur viel pas toen je bijna 60 was. Wat heb je dan een last gehad van de geschiedenis.”

Reageren

19 augustus: Een waardige afsluiting.

Eind maart 2022 schreef ik een blog over de Zevende zus uit de boekenreeks van Lucinda Riley; vijftien maanden later kreeg ik van Annieke het achtste en tevens laatste deel: ‘Atlas – het verhaal van Pa Salt’.

Wat was ik benieuwd!  Is Pa Salt wel overleden?  Wat is er toch steeds met die Zed Eszu?  Hoe kwam Pa Salt op het spoor van de dochters die hij één voor één vanuit verschillende werelddelen adopteerde? Waar kwam hij zelf vandaan en was hij ooit getrouwd?

Het boek geeft antwoord op alle vragen. Je leest, samen met Pa’s 7 dochters, het dagboek dat hij vanaf zijn jeugd heeft bijgehouden en bij bijna iedere bladzijde van dat dagboek worden er namen genoemd en verhalen verteld uit vorige delen. Net als in de vorige delen zijn sommige hoofdstukken geschreven in het heden. De zeven zussen hebben zich verzameld op het luxe jacht Titan en ze varen met elkaar naar een plaats om samen de as van hun vader uit te strooien.

Tijdens de reis krijgen alle zussen het (voor zes van hen gekopieerde) dagboek van hun vader te lezen en ontdekken ze meer details over hun geboorte en hoe hun vader bij hun leven was betrokken.  Het dagboek van hun vader, Pa Salt, begint als hij als jong kind meer dood dan levend wordt gevonden in Parijs onder de heg van de tuin van de familie Landowski,  maar pas aan het eind van het boek kom je er achter wat daarvoor met het kind is gebeurd.

Het is een prachtig verhaal; alle verhaallijnen kloppen en ik verbaas me er (net als bij Harry Potter) over hoe iemand zo’n veelomvattend verhaal dat zoveel levens beslaat kan bedenken.  Maar bedenken is ėėn kant van het verhaal,  opschrijven is de andere kant. Lucinda Riley had een pakkende manier van schrijven. Zij wist de verhalen van de zeven zussen zo te beschrijven dat je meeleefde met de hoofdrolspelers.  Met een lach,  maar zeker ook met een traan; ik had regelmatig een zakdoek nodig….

Haar zoon Harry heeft dit achtste deel geschreven en heeft het levenswerk van zijn overleden moeder voltooid.  Maar het boek raakte bij mij geen gevoelige snaar; de gesprekken die worden gevoerd blijven vlak: de benodigde informatie krijg je wel, maar het sentiment ontbreekt.

Ander puntje van kritiek: in dit boek zijn hele goede mensen met alleen maar nobele gedachten en goede bedoelingen en er zijn ook hele slechte mensen die alleen maar boze plannen smeden en haatdragend zijn. Daar word ik altijd een beetje kriebelig van.  Zulke mensen bestaan niet, maar daarvoor is het natuurlijk ook een roman en geen documentaire.  Tegelijkertijd ben ik ontzettend blij dat Harry dit boek heeft geschreven, ik had het niet willen missen. Hij heeft met de aantekeningen en aanwijzingen van zijn moeder een waardige afsluiting geschreven van een prachtige boekenserie. En nee, het is nog steeds geen literatuur, maar wat heb ik veel fijne, ontspannen leesuren gehad met de 7 zussen!

Reageren

28 juni: Grafgift – Anne Doornbos

Hij mag zich inmiddels tot mien favoriete schrievers rekenen: Anne Doornbos.
Dit veurjaor kwam deel 3 uut in de reeks over Inspecteur Freek Rossing met as titel ‘Grafgift’.
Schreven in ’t Drents, het speult zöch of in Drenthe en giet over een typisch Drents underwarp: hunebedden.

Bi’j een vaste lezer van dit blog, dan wee’j dat ik arg geïnteresseerd bin in die préhistorische graven; samen met Gerard heb ik der al hiel wat bezöcht, niet allent in Drenthe, maor ok in Duutsland.
Tik bij de zuukfunctie van dizze website maor ies ‘hunebed’ in…

Het boek begunt met de ontdekking van het liek van een wichie under het hunebed D26 bij Drouwen.
Nog gien twee bladzijden haar ik lezen, toen haar ik oons fotoboek van veurig jaor al bij de kop: “Daor bint wij toch west, veurig jaor bij dat boomkroonpad in Börger…..” en daor vun ik de foto’s al: een beetie ofgelegen van de weg, een mooie kring kransstienen der umhen én het informatiebordtie met foto’s van de opgravings in de jaoren ’68 en ’70. Ik heb der toen zölfs een blog over schreven: Een bed en stoelen

Rossing stelt zichzölf honderd vraogen: waorum is het wichie hielemaol schoonmaakt en daornao insmeerd met eulie?
Waorum lig der allemaol diggelgoed um heur hen? Hoe hef de daoder heur daor under kregen?
Verder vindt e dat e der niet goed bij kan; hij vindt dat die iene dekstien eigenlieks optakeld mut worden, maor in Drenthe is dat vluken in de karke. Een hunebed haal ie niet uut mekaar.
“Dat is hetzelfde as zeggen dat de TT Assen in ’t vervolg op de zaoterdag veur Paosen hollen mut worden” zeg iene op ’t plietsieburo.

Het was een feest um dit boek te lezen.
Ie komt veul te weten over hunebedden en archeologie en ok over de handel in honden vanuut Roemenië en wat er met die handel nog meer met komt de grens over.  En ok nou weer mooie, herkenbaore stukkies in het boek.
Over de luu in Roon die met Rodermarkt denkt dat ze het centrum van de wereld bint.
Over de directeur van het hunebedcentrum die ok een prominente rol speult in dit boek.
En Rossing, die naor stad Grunn’n reist, waor e een gesprek hef op de faculteit archeologie waor nicht Coby heur colleges volgt.

En ’t is ok nog spannend; het boek kreg met recht de aanbeveling ’thriller’
Jammer dat daor gien goed Drents woord veur is.
Wat mij betreft wordt het tied dat RTV Drenthe een tillevisie-serie giet maken van ‘het Inspecteur Rossing-dossier’, zoas zo eigenwies op de kaft van het boek stiet.
Gien ‘Flikken Maastricht’  maor  ‘Tuut’n Assen’.
Ik verheuge mij nou al op die takelwagen bij dat hunebed…..

Beneid naor de veurige twee dielen over de Drentse speurder Freek Rossing?
Hierbij een link naor beide titels:
De paddenvanger
De man die Russisch preut

 

Reageren

13 mei: Momentopname.

“Wat lees jij dan graag?” vroeg ik aangetrouwde nicht Linda toen ze in december bij ons op bezoek was.
“Harlan Coben” zei ze stellig.

Nog nooit had ik die naam gehoord. “Kijk maar eens op internet” adviseerde ze mij. “Hij is echt heel bekend en schrijft spannende boeken.”
Op de Roder boekenmarkt in december hoefde ik niet lang naar een boek van zijn hand te zoeken; ik vond twee titels in één band.
Voor onze vakantie naar Westerbork was ik begonnen in ‘Momentopname’. Dit staat er over op de achterkaft:

Wanneer Grace de foto’s van een familie-uitje ophaalt zit er één foto bij die niet thuishoort op het rolletje.
Er staan vijf jonge mensen op van wie er een opvallend veel op haar man Jack lijkt.
Maar als Jack de foto ziet dan ontkent hij dat hij het is en later die avond verdwijnt hij.
Al snel komt Grace erachter dat ook anderen op zoek zijn naar haar man, en de foto.
Een van hen is een meedogenloze moordenaar, die niet zal opgeven voordat hij zijn prooi gevonden heeft
.

Die meedogenloze moordenaar is een enge, Aziatische man, ene Wu, die zeer gewelddadig te werk gaat.
Ontvoert en vermoordt mensen. Wie is zijn opdrachtgever?
En wie staan er eigenlijk op die foto en wat hebben die mensen met elkaar te maken?
Het hele verhaal beslaat eigenlijk maar drie dagen, maar je krijgt bij stukjes en beetjes te horen welke gebeurtenis uit het verleden ten grondslag ligt aan de gruwelijkheden die Grace en haar man Jack overkomen.

Het was inderdaad een spannend boek met veel verschillende verhaallijnen.
Je moest soms wel even schakelen: “Wie is dit nou weer? En wat heeft dit nou te maken met die gebeurtenis van vroeger?”
Het boek speelt zich af in Amerika en dat is voor mij een nadeel: de maatschappij en het dagelijkse leven in het boek zijn voor mij  niet herkenbaar.
Even voor het beeld: er komt geen fiets in voor.
Dikke SUV’s, luxe huizen, een patserige ‘vriend’ met ‘mannetjes’ die de boel in de gaten houden en privé-detectives die mensen schaduwen.
Achterdocht, wraak en angst, daarop is het verhaal gebaseerd.

Je hoopt als lezer dat je nooit hoofdrolspeler wordt in zo’n gewelddadig verhaal.
Dat je met een pistool in een leren holster om je enkel (verborgen onder je wijde broekspijp) bij iemand in de auto stapt.
Toen het boek uit was (met een zeer onverwachte plotwending op het eind) vroeg ik me af wat al die doden en gewonden nou hebben opgeleverd.
Ja, dan heb je wraak genomen, maar ben je dan gelukkig?
Welnee.

In Rotterdam is men de laatste maanden in de ban van ontploffingen en bomaanslagen.
“Als jij dit bij mij doet, pak ik jouw familie.”
Je hoeft geen boeken te lezen om te weten wat die angst en onzekerheid met mensen doet.
Dit boek beschrijft het en dat is fictie; Rotterdam niet.

Reageren

25 april: Nasleep

Twee boeken nam ik mee naar Gran Canaria, het boek van Hank Heijn en een detective van Peter Robinson.
Daar verheugde ik me op, hij is één van mijn favoriete schrijvers.
Het was een deel uit de serie over ‘Inspector Banks’; de eerste 200 bladzijden las ik in het vliegtuig op de terugreis.
Wát een schrijver.
Gelijk vanaf het begin word je het verhaal in gesleept en je moet je echt losrukken van de pagina’s als je naar de wc moet. Of moet koken of andere onbelangrijke dingen doen, want je wilt maar één ding: het boek uitlezen.

Het begint met een telefoontje van Maggie naar de politie die vertelt dat in het huis tegenover haar een vrouw wordt mishandeld.
Als de p0litie gaat kijken vinden ze inderdaad een hevig bloedende vrouw in de gang, maar als ze vervolgens op zoek  gaan naar de dader komen ze in een kelder waar een dood meisje op een matras ligt. Later vindt men in die kelder en om het huis nog meer lichamen van vermiste meisjes.
Een man met een zieke geest.
Als je niet van de gruweldaden van Marc Dutroux had geweten, had je gedacht: wie verzint zoiets….

Gedurende het verhaal leer je Maggie wat beter kennen, je leest over de achtergronden van Lucy,  de vrouw van de dader, die helemaal niet op de hoogte was van wat zich onder haar dak afspeelde.
Verder lees je over hoe het verder gaat met de politieagente die de bij de aanhouding van de dader haar collega verloor en die de verdachte in haar woede bijna vermoordde.
Was het noodweer? Of wordt ze vervolgd wegens toebrengen van zwaar lichamelijk geweld?
Ondertussen worstelt Banks in zijn privéleven met de omgang met zijn ex en zijn nieuwe liefde Annie, die ook zijn collega is.

Peter Robinson schrijft een verhaal dat zich zomaar bij jou in de straat kan afspelen.
Met gewone mensen, die dingen goed doen, maar ook fouten maken.
Je hoeft als lezer geen partij te kiezen voor ‘de goeden’ en ‘de slechten’; er worden gewone levens beschreven en je kunt je overal wel iets bij voorstellen.
Je hebt meededogen met kinderen die al met 10-0 achterstaan als hun leven begint, omdat ze in een gezin worden geboren met ouders die niet sporen.
Je leeft mee met de agente die ontspoort na de heftige gebeurtenissen bij de aanhouding en je vindt Banks een hork in zijn omgang met Annie.
Maar je vindt hem ook zielig als zijn ex zwanger blijkt te zijn van haar nieuwe minnaar.
Je snapt Maggie als ze meewerkt aan een interview aan een grote krant en tegelijkertijd vind je haar een oliebol omdat ze zich laat gebruiken door de pers.

Ondanks dat je gelijk al weet wie de dader is, blijft het boek spannend tot op het laatst.
Waarom wordt dat ene vermiste meisje niet gevonden?
Wist die Lucy echt niet wat er allemaal in die kelder gebeurde?
Een échte thrilller, een échte aanrader!

Reageren

31 maart: Haar verhaal.

Op 5 maart schreef ik een blog over een kerkdienst waarin niet het bijbelverhaal, maar het verhaal van Hank Heijn-Engel centraal stond. (zie: De vrijheid om het goede te doen)
Dat blog eindigde ik toen met de zin: “En dat boek ga ik reserveren in de bibliotheek.”
Hoefde niet.
Het stond in de 2e-hands boekhandel in Leeuwarden waar ik met vriendin Jeannette een weekend was.
En het is ook al uit.

Het verhaal van de ontvoering en dood van Gerrit Jan Heijn is bekend.
Het is dus geen spannend boek in de zin van ‘benieuwd naar hoe het afloopt’, want dat weet je al.
Het boek vertelt hoe het is geweest voor haar en haar gezin.
De ontvoering vond plaats in september 1987; het hield me in die tijd erg bezig,  maar de berichten daarover overheersten na een aantal maanden het nieuws niet meer.
Ik weet nog dat ik op oudejaarsavond 1987 aan de familie Heijn moest denken: het nieuwe jaar 1988 begon en zij wisten nog steeds niet waar Gerrit Jan was en hoe het met hem ging.
Af en toe laaide de berichtgeving even weer op, bijvoorbeeld toen die vinger werd opgestuurd, maar het bleef vooral onduidelijk allemaal.
Bijna 7 maanden leefde de familie in onzekerheid over het lot van hun man, vader en broer.

Mevrouw Heijn heeft nooit interviews gegeven en de pers niet te woord gestaan, er werd alleen via woordvoerders met de buitenwereld gecommuniceerd.
In dit boek, dat geschreven is door Alex Verburg, lees je haar verhaal.
Niet alleen over de ontvoering en dood van haar man, maar ook over haar jeugd in het jappenkamp samen met haar moeder en haar broertje.
Over overleven.
Wat mij bij zal blijven uit dit boek is het vertrouwen dat de familie bleef houden in een goede afloop.
Ze gingen er steeds van uit dat Gerrit Jan nog in leven was en ze probeerden met ‘geheime’ berichten in de krant hem een hart onder de riem te steken.
Voorbeeld: zij aten op zondag altijd kip, dus in een advertentie van Albert Heijn stond bij een aanbieding van kip: “Eet u ook altijd kip op zondag?”

Je leest hoe moeilijk het is geweest voor de familie.
De constante aanwezigheid van bewaking.
De hijgerigheid van de pers.
De fouten van de politie.
De wanhopige gedachten.
Hoe lang zeven maanden duren.
De spanningen rondom het afgeven van het gevraagde losgeld.

En al die tijd was Gerrit Jan al niet meer in leven.
Ferdi E. liet de familie bewust meer dan een half jaar in die wurgende onzekerheid en speelde een gruwelijk spel met hen.
Voor mij was deze ontvoerder na Hitler de minkukel van de eeuw en dat blijft hij na het lezen van dit boek ook.
Maar Hank Heijn heeft Ferdi E. in 2005 een verzoeningsbrief geschreven.
Ze wilde niet de rest van haar leven met wrok rondlopen “daarmee krijg ik Gerrit Jan immers niet terug.”
De brief staat helemaal afgedrukt in het boek.

Wat een waardig verhaal; daar kun je, net als van de bijbelverhalen, iets van leren.
Als je haat ben je zelf niet vrij.
Maar ik geef het je te doen…..

Reageren

Pagina 1 van 14

Mogelijk gemaakt door WordPress & Thema gemaakt door Anders Norén