De kop boven het geschiedenis-scheurkalenderblaadje van 5 juni was ‘Eén van de oudste steden ter wereld heeft geen straten’
‘Dat kan toch niet?’ denk ik dan. Zonder straten? Hoe kwam je dan je huis binnen?
Deze uitleg stond op de achterkant.
Catalhöyük, gebouwd op een heuvel in het huidige Turkije, was in de late steentijd een bloeiende nederzetting. Tussen 7400 en 6200 voor Christus woonden er zo’n 3000 tot 8000 mensen. Het is de grootste nederzetting uit de late steentijd die gevonden is.
Alle huizen, gemaakt van in de zon gedroogde stenen van leem waren tegen elkaar aangebouwd en hadden geen deur. De daken fungeerden dus eigenlijk als straat; je kon andere huizen bereiken door over de daken te lopen en via ladders naar binnen te gaan.
Uit de opgravingen hebben archeologen tot nu toe afgeleid dat de bewoners van Catalhöyük in een relatief egalitaire samenleving moeten hebben geleefd, omdat er geen gebouwen zijn gevonden die heel erg afwijken van de rest. Iedereen woonde in huizen van ongeveer dezelfde grootte. Verder is het opmerkelijk dat de bewoners hun doden begroeven in hun eigen huis, vaak onder de haard.
Nog nooit van gehoord.

Afbeelding: website Historiek
Hoe zag dat er dan uit?
Voor ik het wist was ik een uur verder, want er is genoeg te vinden over dit fenomeen op internet.
Op dit blog verwijs ik naar een interessant artikel op de site ‘Hunebednieuwscafé’, hier bij een link.
Daar vind je een duidelijke uitleg van het archeologische onderzoek, hoe het complex is ontdekt, hoe het is ontstaan en hoe de mensen de stad bewoonden.
In het kort: Catalhöyük wordt gevormd door twee heuvels op een terrein van 37 hectare. Je vindt er maar liefst 18 lagen met neolithische bewoning tussen 7400 en 6200 voor Christus. Er zijn muurschilderingen aangetroffen, reliëfs, beeldhouwwerken en andere symbolische en artistieke elementen: tastbare getuigen van de pre-historische mens die zich aanpaste aan het permanent bewonen van één plek. Daarvóór leidde de mens een nomadisch bestaan als jager/verzamelaar.
Ook heeft men veel informatie kunnen verzamelen over de overgang van permanent bewoonde dorpen naar een meer stedelijke agglomeratie.
De stad is niet bewoond gebleven, zoals de oudste, nog steeds bewoonde steden Jericho en Damascus. De mensen vertrokken door o.a. klimaatverandering; door aanhoudende droogte werd het lastig om aan voedsel en water te komen. Verder raakten de nabijgelegen bossen, die gebruikt werden voor brandhout en bouwmaterialen uitgeput, evenals de landbouwgronden om de stad heen. De laatste reden is dat er aan het eind van de bloeitijd toch een sociale ongelijkheid was ontstaan. Daardoor viel de stad uiteen en verspreidde de bevolking zich weer over kleinere, traditionele dorpen.




















