Van zwemvriendin Ans kreeg ik het boek ‘Vleugelman’ te leen: een biografie over het leven en het werk van Godfried Bomans.
Een boek van meer dan 700 pagina’s.
“Dat ga ik nooit helemaal uit lezen” dacht ik toen ik het kreeg.
Bomans overleed vlak voor Kerst in 1971; toen was ik 10 en kreeg ik het eigenlijk niet mee.
Toen ik op de HAVO in Assen zat van augustus 1977 tot mei 1979 was Bomans immens populair onder scholieren en velen van ons hadden ‘Erik of het klein insectenboek’ op de leeslijst voor Nederlands staan.
Op mijn verjaardag kreeg ik boekjes als ‘Aforismen’ en ‘Kopstukken’ en wij vonden het prachtig om die humoristische teksten te lezen.
Hij kwam nog wel eens voorbij in tv-programma’s: dan zagen we hem als Nederlandse beroemdheid van vroeger en zei hij dingen als ‘had mijn vrouw maar één zo’n been’ over Marlène Dietrich bij de uitreiking van de Edison in 1963. Verder kende ik hem van zijn verblijf op Rottumeroog, maar dan vooral in vergelijking met Jan Wolkers, die daar ook een week zat.
Wolkers was daar in zijn eentje in zijn element, Bomans verpieterde.
De inhoud van deze dikke pil kan ik niet samenvatten in blog van ongeveer 500 woorden.
Wil je meer weten over dit boek dan heb ik twee links voor je.
De eerste is een minuut of 10 uit het televisieprogramma ‘Tijd voor Max‘, waarin de schrijver Gé Vaartjes aanschuift om te vertellen over het boek.
De tweede link betreft een artikel uit het online tijdschrift voor Taal- en letterkunde ‘Neerlandistiek’: De feiten zijn maar kiezelstenen.
Daar vind je een recensie geschreven door Jos Joosten, hoogleraar Nederlandse Letterkunde aan de Radboud Universiteit in Nijmegen.
In dit blog beperk ik mij tot wat het boek voor mij betekende.
Hoewel ik van plan was om het vluchtig door te lezen, boeide het mij zodanig dat ik het toch helemaal heb gelezen.
Wát een intrigerende figuur, die Bomans!
En wat een mooi tijdsbeeld.
Je krijgt een goed beeld van het leven van een onzeker jongetje in een katholiek rijkeluis-gezin en je leest hoe bepalend dat geloof is geweest voor zijn leven.
Wat ik er zelf van heb geleerd is dat de culturele omwenteling in de jaren ’60 veel groter was dan ik mij in mijn jeugd gerealiseerd heb.
Hoe de zuilenmaatschappij in elkaar stortte en hoe alle heilige huisjes en schijnzekerheden één voor één omver werden geschopt; in de periode die de jaren ’60/begin jaren ’70 beschrijft herkende ik de dingen die ook in ons gezin speelden.
Maar de grote Bomans is door dit boek wel van zijn voetstuk gevallen waar ik hem in mijn jeugd op had gezet.
Hij was immens populair in Nederland, maar het was geen leuke man.
Hij was ontzettend geestig, ad rem en charmant, maar hij was daarnaast ook ijdel, kinderachtig, leugenachtig en onbetrouwbaar; hij was iemand die alleen maar met zichzelf bezig was.
Eén van zijn bekendste quotes is ‘Humor is overwonnen droefheid’.
Als je dit boek uit hebt weet je hoezeer deze uitspraak past bij Godfried Bomans.



















