De waarde van de dag

een alternatief voor 'de waan van de dag'

12 september: Onmisbaar.

Soms is de waarde van de dag iets kleins.
Een collega-casemanager had een digitaal bestand gekregen van een mantelzorger van een cliënt.
Het was een foto van een machtigingsformulier met een handtekening dat nodig was voor een indicatiestelling; dat moest in het digitale cliëntendossier worden opgenomen.
In het mailtje aan ons secretariaat stond: ‘Dit heb ik gekregen en ik kan er niks mee, ik krijg het niet in het dossier. Weten jullie hoe dit moet?”

Nou nee, ik eigenlijk ook niet. Je kunt geen afbeeldingen uploaden in het cliëntendossier.
Maar ik kwam er wel uit: de afbeelding kopiëren naar een Word-document, die afdrukken, dan scannen en daar PDF van maken. Die kun je dan uploaden.
Toen ik de casemanager hierover een berichtje stuurde, kreeg ik een enthousiaste reactie terug:
“Bedankt! Jullie zijn onmisbaar!”

Kijk.
Dat horen we graag.
Dat toeteren we dan ook graag uit over de afdeling, dus ik printte de reactie uit, zette er een rode cirkel omheen met wat rode pijlen erbij en hing die aan het sleutelkastje.
Een compliment is verbale zonneschijn: mijn waarde van die dag!

Reageren

11 september: De lange dame

In 2015 ontdekte ik ‘de Lange Dame’ in Groningen.
Daarover schreef ik toen een blog waarin ik vertelde hoe fijn het is dat er tegenwoordig ook kleren zijn voor grote vrouwen zoals ik.
Jaarlijks breng ik een bezoek aan deze winkel voor een paar lange broeken en/of een jasje.
Meer weten? Hierbij een link naar hun website.
Vrijdagmiddag 3 augustus had ik vrij, Gerard was de hort op (lees: iets met planken, aanhangwagens en gereedschap) en ik pakte de bus naar Groningen; met lijn 4 zit je binnen 30 minuten in de binnenstad.

Zoals ik al schreef in 2015 : modebewust ben ik nooit geweest.
Als iets ‘ in de mode komt’  moet ik daar altijd erg aan wennen en als ik al iets modieus koop, dan is het vaak niet te opvallend.
Dat was ook nu weer het geval.
Er hingen poeder-roze blazers, waarvan ik er eentje meenam het pashokje in.
Mouwen: lang genoeg.
Maat: groot genoeg.
Als Maxima zoiets aantrekt staat het beeldig, bij mij niet.
Gewoon niet.

Maar ik had nog meer meegenomen het pashokje in: een spijkerbroek en een zwarte broek.
Maat 44, geen wijde pijpen, geen scheuren, geen modieuze vale vlekken aan de voorkant: gewoon twee degelijke broeken.
Die precies pasten en waar ik opgetogen de winkel mee uit liep.
Met de lange dame die mij hielp bij het afrekenen had ik nog even een gesprekje over lange benen en ik vertelde haar dat ik een blog ging schrijven over mijn bezoek aan hun winkel.
Vond ze leuk.

“Maar” zei ik “dan schrijf ik ook over mijn grote ergernis, daarvoor maak ik nu even een foto”.
In het pashokje hing namelijk een Engels briefje.
In de Nederlandse stad Groningen. Niet te geloven.
Dat zei ik dus ook tegen de mevrouw bij de kassa, die antwoordde dat ze vier kleedkamers hadden en dat ze in twee paskamers een Nederlandse tekst aan de muur hadden hangen. “En er komen ook altijd heel veel Duitsers hier….”
Dan maak je toch één briefje in vier talen, dat je vervolgens in iedere paskamer hangt!
Ik geef even een voorzetje: in het Nederlands, in het Duits en in het Drents.

Beste klant.
Bedankt voor uw bezoek! We hopen dat je erin slaagt de juiste kleding te vinden die bij je lichaam past. Als je hulp nodig hebt, laat het ons weten, we adviseren je graag.
Na het passen: je kunt de kledingstukken in de paskamer achterlaten of overhandigen aan een van onze winkelmedewerkers.
Nog een fijne dag!

Liebe Kundin, lieber Kunde
Vielen Dank für Ihren Besuch bei uns! Wir hoffen, dass es Ihnen gelingt, die richtige Kleidung zu finden, die zu Ihrem Körper passt.
Wenn Sie Hilfe brauchen, lassen Sie es uns bitte wissen, wir beraten Sie gerne.
Nach der Anprobe: Sie können die Sachen in der Anprobekabine lassen oder einer unserer Verkäuferinnen aushändigen.
Wir wünschen Ihnen einen schönen Tag!

Moi.
Mooi da’j der bint.
Wij hoopt da’j kleren kunt vinden kunt die goed bij je lange lief past.
A’j der niet uut komt, wilt wij je ok wal helpen.
Wat niet past ku’j hangen laoten in ’t pashokkie of an de verkoopster geven.
Nou, moi hè.

Past zat op één briefje!
En dan kan het er ook vast nog wel in het Gronings op……..

Reageren

10 september: Gastblog Willem – Mien diensttied (2)

Vandaog het vervolg van Willems gastblog van ofgelopen zaoterdag:

Ienmaol as kok an ’t wark gung ’t allemaol wal. Toen ha’k wat minder vaak straf, maor over was’t ok niet. De reden veur straf bleven in mien ogen aaid onbenullig; miesttied was ’t gebrek an respect veur een ‘hoge’. Het miest sprekende veurbeeld hiervan was da’k een keer mien grote baos – de voedingsofficier-  oetlacht har. De beste man was net nei bij oes en wus nog niet goed hoe e zuch gedragen mus. Dit even veur zien verdediging.

Samen met mien maot ha’k de vrogge dienst dreid en was daorum um half dree vrij. ’t Was hiel mooi weer en wij zaten met zien beiden nog even lekker in ’t zunnegie op het laad-en losperron van de keuken toen die voedingsofficier veurbij kwam. Kennelijk har de man verwacht daw spontaan in ’t èende sprungen en hum op militaire wieze groetten. Dat deew niet, starker nog, wij keken nog niet op of um. Op zien beetie zoere opmarking van “Ik zou maar niet groeten als er een officier voorbij komt”, zee mien maot hiel dreug “dat deew toch ok niet luitenant” en kek de man  hiel unschuldig an. ’t Zul allemaol nog wal goed gaon weden a’k niet keken har. Dan ha’k ok niet zien dat de man keek as een bok wel braanekkels en kribbels tegeliek vret. Da’k daorum begunde te lachen maakte zien stemming der niet beter op. Ik gung op rapport. Mien gebrek an militair respect was oeteindelijk weer goed veur een week “licht”.  Niet dat mij dat wat schelen kun, want ik har toch dienst dat weekèende.

In principe kreej alle kleren van de dienst; ok ’t undergoed. Maor ’t zat niet lekker as ’t kruus van de underboks je zowat op de knienen hung en de bovenboks je wat krap in ’t kruus zat. Een combinatie wel opvallend vaak veur kwam. Het ienige pak wat op maot maakt weur was het pak daj andoen mussen aj met verlof gungen; je ‘eerste grijs’ dat paste dan ok perfect.

Een verhaal apart bent mien schoenen; de militaire kissies. Tussen mien linker en rechter voet zit een beheurlijk groot verschil. ’t Is meer as ien maot. Op de middag van de tweede of daarde dag zulden wij de schoenen kriegen en mussen oes de voeten opmeten worden; de rechtervoet. Toen’k tegen die sergeant-schoemaker zee dat mien linkervoet groter was as mien rechter kreeg ik de historische woorden te heuren  “Oliebol, denk jij het beter te weten dan ik”. Nou wa’k inderdaod die miening toedaon, maor duurde dat toen nog niet zo rechtoet te zeggen. Ik dus braaf mien rechtervoet opmeten laoten en dacht bij mijzölf ik zeg de goeie maot wal tegen die schoenenoetdieler. Dat was een beetie naïef van mij, want ik har toen al weten kunt dat der vanoetgaon wordt daj dom geboren en simpel wiegd bent en je niks bijbracht is in de tied veurdaj in dienst kwamen. Toch nog maor even prebeerd um de linkervoet opmeten te kriegen, maor toen kree’k van de meetsoldaot te heuren dat e de rechtervoet op mus meten en niet de linker. Ik kreeg in ieder geval een papiertie met daorop “44 M” in de haand drukt en daormet mus ik een taofel wieder, waora’k de schoenen kriegen zul. Ik dus maor de veul te kleine schoenen ophalen en nao ze oetpakt te hebben an de sergeant zien laoten dat ze veul te klein waren. “Dan moet je maar opnieuw meten”.

Aj nou deinkt dat ze dan je linkervoet opmeet bi’j veul te gauw veur militaire dienst. Opnei wolden ze allent maor mien rechtervoet opmeten. ’t Gevolg was da’k wèer met een maot 44M opscheept weur. Um een lang verhaal kört te maken, nao de daarde keer maot 44M kwamen ze eindelijk op de gedachte dat der mèer an de haand was as een meetfout en an ’t èende van de middag ha’k eindelijk schoenen wel mij wal pasten; maot 46, dezölfde maot as mien burgerschoenen.

Wa’k een hiele middag drok west um een paar schoenen te kriegen.
Op dat moment begunde bij mij de twiefel al toe te slaon; moe’k mij doodlachen of doodargern.
Een  besluut daorover he’k toen niet neumen.
Jaoren later, bij een EHBO-cursus, he’k leerd dat zuks as een levensreddende handeling zien wordt.

Reageren

9 september: Geschiedenis van de familie.

Op verzoek van neef Cor gingen we in juli van dit jaar naar Burg Bentheim.
Daarna brachten we een bezoek aan Oldenzaal voor een stukje familiegeschiedenis “want daar hebben opa en oma gewoond toch?”
Cor hoopte dat ik meer kon vertellen over de stad waar mijn vader en moeder hun puberteit doorbrachten, trouwden en hun eerste kind kregen. Dat was ook zo, alleen kon ik niet vertellen over hoe het is om in Oldenzaal te wonen, want ik ben er weliswaar geboren, maar was 2 toen mijn ouders verhuisden naar Hoogersmilde.

We gingen eerst op zoek naar mijn geboortehuis.
Burgemeester Wallerstraat 49 in Oldenzaal was het adres.
We vonden de straat en stapten uit: even van dichtbij bekijken.
Aan weerskanten van de straat stonden flatjes van drie hoog.
We liepen naar nr. 49 en ik zag de twee ramen en de portiek van het huis waar mijn ouders gingen wonen in 1960.
Toen waren die appartementjes nagelnieuw!
Mijn moeder vertelde er altijd met trots over: ze had allemaal nieuwe meubels en hadden hun huisje supermodern ingericht.

Er stapte een bouwvakker uit een busje en ik vroeg hem naar het huis op 49; vertelde dat ik daar was geboren in 1960.
“O, je kunt wel naar binnen, hoor, bel maar aan, zijn erg aardige mensen..!”
Maar dat ging ik natuurlijk niet doen: ik heb geen actieve herinnering aan het wonen in dat huis.
Ik vroeg de meneer naar ‘de Geldermanstaete’ die we even daarvoor hadden gezien: “Is dat het gebouw van de textielfabriek Gelderman?”
Het bleek het oude hoofdkantoor te zijn; de fabriek lag aan de andere kant van het spoor en ook dat gebouw heeft na renovatie een nieuwe bestemming gekregen: hierbij een link naar de website Gelderman Fabriek Oldenzaal.
“Die Gelderman heeft deze flatjes toen gebouwd voor werknemers” wist de bouwvakker ons te vertellen.
In gedachten zag ik mijn moeder met de kinderwagen met mij er in door deze straat lopen en mijn vader met zijn broodtrommel onder de arm van de fabriek thuiskomen.

“En waar woonden jouw opa en oma dan?” vroeg Cor.
Dat adres had ik van tante Trijn gekregen: Poortstraat 29. Dat gingen we ook opzoeken.
Van de buurt waar mijn grootouders toen woonden is niets meer over van hoe het er op de foto’s uit die tijd uitzag.
Ik maakte een foto van nr. 29, maar dat was een nieuw huis.
We liepen nog even naar de Plechelmus basiliek en trakteerden onszelf op een terrasje in de binnenstad.
Op de plek waar zoveel voetstappen van mijn familie liggen, maar waar ik zelf niets meer van weet.
Maar alleen al door daar even te zijn, de verhalen te vertellen en de herinneringen op te halen hebben we onze familiegeschiedenis even weer benoemd en nieuwe herinneringen gemaakt.

Vorige blogs over mijn belevenissen in Oldenzaal:

Geboorteplaats : een blog op mijn 59e verjaardag over Oldenzaal en één van de fijnste herinneringen aan mijn ouders

Sienus Grobben: over een bezoek aan Oldenzaal met tante Trijn, de Plechelmus en de kampioen-gehaktballenvreter.

Boeskool & tranen: over geboren zijn in de stad Oldenzaal, een blog uit 2022

Reageren

8 september: Zelfbescherming.

‘Een te dunne huid’ is de titel van een boekje dat Bram Hulzebosch schreef over zijn vader, Bram Hulzebosch senior. Ik kreeg het boekje te leen van Essina, omdat het zo in de praat te pas kwam.
In september 1999 sprong vader Bram van een balkon in het Academisch Ziekenhuis Groningen en brak zijn nek. Zijn zoon beschrijft hem in het boek als volgt: ‘Hij was alcoholist, chronisch psychiatrisch patiënt, jarenlang heimelijk homoseksueel, onderwijzer en organist.’
Toen zijn vader overleed, had de jonge Bram al jaren geen contact meer met zijn vader.
Als zelfbescherming, want het was geen doen.

Het gezin woonde in Roden, maar toen deze gebeurtenissen plaatsvonden hebben wij daar amper iets van meegekregen.
Wij waren hervormd, zij waren gereformeerd en we waren nog niet Samen op Weg.
Toen wij in 1989 in Roden kwamen,  ging ik al snel zingen bij het Roden Christelijk gemengd koor.  Wij werden dan wel eens op orgel/piano begeleid door Bram Hulzebosch en dat is ook het enige waarvan ik hem ken.

Het is niet een gemakkelijk boek om te lezen.
De schrijver vertelt over zijn getroebleerde jeugd en hoe het is om te overleven in een gezin met een vader die drinkt en die regelmatig heel erg in de war is.
Hoe een kind, soms al op jonge leeftijd, diegene helpt en beschermt die dat kind juist zou moeten beschermen: de omgekeerde wereld.
Ook ontdekt hij dat zelfmoord nog steeds een groot taboe is in Nederland.
Want iedereen heeft na zo’n drama natuurlijk een mening over hoe de naasten het hadden moeten doen.
En hoe de hulpverlening had moeten handelen.
En waarom…. vul maar aan.

Hulpverlening was er genoeg in het leven van Bram senior, maar het was lang niet altijd effectief.
Hij zou op het laatst van zijn leven naar een beschermde woonvorm kunnen, maar daar vond hij zichzelf niet passen.
Toen zijn vader was overleden heeft zoon Bram dit boek geschreven om iets te kunnen ophelderen over de omstandigheden rond zijn dood.
Had hij er goed aan gedaan om zijn vader in de steek te laten? Om het contact met hem te verbreken?

Vader dronk te veel en moeder kon het leven, de complexe gezinssituatie niet aan.
Wat dat betekent voor de kinderen in het gezin lees je in dit boekje.
Er zijn opa’s en oma’s, ooms en tantes, collega’s, buren: iedereen wist het.
En iedereen hield wel een oogje in het zeil, maar voor het gezin was het dagelijkse realiteit waar niet aan viel te ontsnappen.
Ondertussen ging het leven wel gewoon door en koos zoon Bram op een gegeven moment voor zichzelf.
Dit boekje geeft als boodschap aan de maatschappij door: bekommer je om kinderen in dit soort complexe situaties.
Kinderen zijn namelijk altijd loyaal naar hun ouders toe.
Dat zegt iets over de keuze van Bram om zijn vader los te laten.
Wie heeft het recht om daar iets van te vinden?

Reageren

7 september: Gastblog Willem – Mien diensttied (1)

Tiedens het zomerreces stuurde Willem mij nog een gastblog, maor ok dat was in die streektaol, dus dat he’k eem een poossie laoten liggen.
Willem is Drent-in-Gelderland en vaste lezer van dit blog.

Op 5 augustus bedacht ik mij da’k op de dag of 60 jaor leden under de wapens gung.
Een deftige umschrieving van de opkomstplicht wel wij toen nog kenden. Onwillekeurig komt der dan wat herinnerings an die tied umhoog. Ik was van de lichting 64-4. Elke twee maond weur der een stellegie frisse rekruten oproepen um het laand te dienen.

Ondanks da’k ’t grootste diel van mien diensttied as kok deurbracht heb waoraj weinig te maken hebt met militaire riegels en mores, he’k toch een aordige liest van “licht arrest” achter mien naam staon.

Het begunde al in mien recrutentied. Nog gien twee week under de wapens ha’k de eerste straf te pakken; 3 dagen licht arrest. De reden? ‘k Har mien schoenen niet op de juuste menier vortzet. Nou kun mij die straf niks schelen, want wij gungen een dag later veur een week de heide op um te kamperen, al nuumden ze dat bivak. ’t Weur mij wat minder met dat bivak, toen ‘t kampheufd mien gewèer boven in een boom har hangen in de tied da’k de tent an ’t anhemmeln was. Daor teunde ik weinig ontzag veur; veur mien gevuul was ’t gien biezundere prestatie um met een gewèer boven in een boom te klömmen en ik haalde ‘t dan ok zunder ienig bliek van ontzag zo wèer tot de boom oet. Dat bevöl de man niet en ik kreeg een preek da’k mien gewèer altied bij mij hebben mus want ‘as de vijand komp moej je verdedigen kunnen’.  Op mien antwoord dat ik mij ok dan niet verdedigen kun umda’k zölfs nog gien lösse flodders har kree’k ter plekke een week verlenging van mien lichte arrest, want wij waren “onder oorlogsomstandigheden”. Op dat moment he’k definitief besleuten da’k niet hen de kaderschoel wol en dat mien pappe hartstikke ongeliek har met zien verhalen kameraodschap en hoe mooi en veural hoe nuttig ’t allemaol was in dienst.

Met dat besluut kwam even een probleem um de hoek zetten. Ik har toen nog roem 17 maond te gaon en die mussen ie toch wal even op zo’n menier deurbrengen daj niet de hiele dag anleupen tegen de ‘krijgstuchtelijke grèenzen’. De oetkomst van mien dèenkwark was da’k besleut um kok te worden. Ie waren dan verzekerd van wark, want eten wilt ze elke dag allemaol en aj dat goed deden haj weinig umkieken naor de rest van de troep.

Het kostte mij nog aordig wat proten an ’t èende van de twee maond basisopleiding met de selectie-officier um op de militaire kokschoel te kommen, want “jouw bouwkundige vooropleiding is niet echt de ideale basis voor een koksopleiding” . Hoe a’k de man overtuugd heb dat e daor gien geliek in har wi’k niet zo precies meer, maor ik weur oeteindelijk wal plaotst op de kokschoel in Leiden.

De kokschoel is een heufdstuk apart as ’t um straf giet. Het duurde maor twee maond, maor in die twee maond he’k maor tweemaol met weekèendeverlof kunt. De aandere kèern haarn ze wal wat vunden da’k binnen blieven mus; ’t haor te lang, te laat binnen, rookt in de kamer, het bedde niet goed opmaakt, en gao zo nog maor even deur.  Al haj de overtreding op maandagmörgen drekt nao ’t wakker worden maakt, op dunderdagmörgen kwamen ie daorveur “op rapport CC”. Ie kregen dan steevast “drie dagen licht arrest”. As de overtreding arg zwaor was in zien ogen dan weur het 5 dagen, maor de consequentie was altied daj ’t ankommende weekeinde wèer niet hen hoes kunden. Ik geef toe dat Leiden as stad daor niks an doen kun, maor toen’k  zo’n 35 jaor nao mien ofzwaaien een inspectieklus kreeg in Leiden mus ik wal even slikken.  Zo diep zat bij mij de ofkèer van Leiden.

Deel 2 van Willems verhaal verschijnt a.s. dinsdag 10 september.

Reageren

6 september: Bentheim (2)

Afgelopen dinsdag schreef ik al een blog over ons bezoek aan Burg Bentheim, vandaag deel 2 van dat verhaal dat ik toen beloofde.

In één van de zalen werden we toegesproken door de huidige erfprins van Bentheim; niet in het echt natuurlijk, maar op een video.
Hij heette ons herzlich wilkommen, vertelde wat over de geschiedenis en bijzonderheden van het kasteel en sloot zijn verhaal af met een beschrijving van het spook dat het kasteel af en toe bezoekt: de Witte Juffer van Bentheim.
Het schijnt een jonge gravin van het geslacht Bentheim te zijn, die geheel in het wit, met een kap over haar hoofd en rammelend met een sleutelbos soms ’s nachts door het kasteel dwaalt.
Je moet haar niet tegenkomen, want dan wordt je zelf ook helemaal wit en ben je ten dode opgeschreven.
Zegt men.
Het hele verhaal lezen?
Hierbij een link naar een artikel over de witte juffer op de website van Burg Bentheim.

We konden ook even kijken in de trouwzaal! Daar mag je anders niet in, maar wij vielen met onze neus in de boter: buiten was er een bruidspaar aan het foto’s maken en binnen werd alles in gereedheid gebracht voor het huwelijk. Wij waren er nét vooraan en glipten gauw de trouwzaal binnen, waar we te woord werden gestaan door een vriendelijke heer, die het prima vond dat we even stiekem binnen keken.
Hij vertelde trots dat bruidsparen van heinde en verre komen om in het oude kasteel te trouwen.
Links een afbeelding van de bruid en haar entourage: kijk nou wat een mooi gebouw!

Een bezoek aan de burcht is beslist de moeite waard en het ligt echt niet zo ver weg: als je bij Oldenzaal de grens oversteekt ben je er al bijna!
Die grens staken wij die middag ook over, maar dan de andere kant op: Cor wilde immers graag naast Bentheim ook nog een bezoek brengen aan Oldenzaal voor een stukje familiegeschiedenis.
Daarover meer in een volgend blog.

Reageren

5 september: Magnuskerk in Anloo.

Tijdens onze Happen&Trappen-fietstocht in mei fietsten we door het dorpje Anloo.
Dat ken ik nog van de préhistorische wandeling die we daar maakten in 2020 en natuurlijk van de Etstoeldag, waarop ieder jaar een  waargebeurde, Middeleeuwse rechtszitting wordt nagespeeld door toneelspelers van amateur-verenigingen uit Anloo en omstreken; dit jaar was dat op 17 augustus.
Hierbij een link naar een pagina met alle informatie over die bijzondere dag waarop je 400 jaar teruggaat in de tijd.

Op die donderdagmiddag in mei was het heel rustig in Anloo.
Toen we het dorp in kwamen hoorden we de klokken van de kerk luiden.
“O, dat zijn vast de klokken van oude Magnus-kerk” zei ik tegen Gerard en we gingen op het geluid af.
Want: oude kerk, die wilde ik natuurlijk even bekijken.
Toen we onze fietsen tegen een boom aanzetten, kwamen er twee meisjes naar buiten, die de deur op slot gingen doen.
Ik gooide al mijn charmes in de strijd: “O, mogen wij misschien nog even naar binnen?”
Nee.
“Wij mogen niemand binnen laten mevrouw…”
Ze hadden kennelijk strenge instructies gekregen; ze vonden het zelf ook vervelend, dus we drongen niet aan. Er was niet heel veel informatie te vinden bij het gebouw, maar gelukkig heb ik thuis een boek dat ik bij ons afscheid kreeg van duo-baan-collega Jacquelien, waar alle middeleeuwse Groningse en Drentse kerken in staan.

We maakten een paar foto’s en fietsten het dorpje weer uit.
Eenmaal weer in Roden zocht ik de kerk op in het bovengenoemde boek.
Het is één van de oudste kerken van Drenthe. Het schip is omstreeks 1100 van tufsteen gebouwd , de toren van baksteen komt uit het midden van de 12e eeuw en het koor is aan het begin van de 14e eeuw ook van baksteen gebouwd.
We moeten er nog wel eens heen, want binnenin is iets bijzonders: op de muren zijn 13e-eeuwse fresco’s met voorstellingen uit het leven van Maria: de aankondiging van aartsengel Gabriël, de geboorte van Jezus en de vlucht naar Egypte.
Verder is er ook nog een vergeten grafkelder die sinds 2016 weer is geopend voor publiek.
RTV Drenthe maakte daar destijds een documentaire over: klik hier om die video te bekijken.

Meer weten over dit Drentse dorp op de Hondsrug? Hierbij link naar de website Anloo.

Reageren

4 september: De moederbanden

Zelden zo’n mooi boek gelezen. Ik las het uit op het strand en huilde bij het laatste hoofdstuk tranen met tuiten. Ik kocht het omdat de tekst op de achterflap mij intrigeerde.

In de jaren zestig bloeit in een Brabants gezin van fabrieksarbeiders en klompenmakers een uniek vocaal kwartet op.
Met hun grote muzikale talent kunnen zij ontsnappen aan die benauwende wereld.
Dan sterft plotseling Anne, de alt-mezzo, na een auto-ongeluk.
Het mysterieuze ongeluk, waarover in de familie slechts fluisterend wordt gesproken, ontwricht de prille loopbanen van de anderen. 

Veertig jaar later is alleen sopraan Mieneke nog in leven. Om haar geheugen na een herseninfarct te prikkelen, gaat haar zoon Antonie op zoek naar de moederbanden met oorspronkelijke opnamen van het familiekwartet.
De muziek maakt weliswaar veel herinneringen en verhalen los en ontrafelt geleidelijk de verborgen familiegeschiedenis, maar meer nog dan de nostalgie voedt die muziek een verlangen naar een zachte dood. De moederbanden is een prachtige, intieme roman over familiebanden en -geheimen, verlies en afscheid nemen.

Zoals ik in de eerste alinea al schreef: tranen, maar ook hardop gelachen.
Je komt terecht in een gezellige familie en je leest hoe men met elkaar omgaat in na-oorlogs Brabant.
Hoe belangrijk ‘de familie’ is.
En hoe groot de rol van muziek  is.
Er wordt regelmatig over muziek geschreven bij de verhalen; titels en zangstemmen worden benoemd en hele stukken worden geciteerd.
Die muziek ken ik en als ik een titel niet kende dan zocht ik het op; inmiddels heb ik een afspeellijst ‘De moederbanden’ op Spotify.

Het ongeluk waarbij Anne komt te overlijden is één van de verhaallijnen in het boek, een andere lijn is de beschrijving van de laatste dag in het leven van sopraan Mieneke. Ontroering, ontreddering, medelijden: er komt van alles aan emoties voorbij. Daarnaast worden er steeds tipjes van de sluier opgelicht en kom je steeds meer te weten over wat er nu echt is gebeurd is. Mijn soort boek: ik was steeds nieuwsgierig hoe het verder zou gaan en het voelde ‘leeg’ toen het uit was.

En toen…..wilde ik alles weten over die familie!
Het is namelijk een waargebeurd verhaal, waar de schrijver (zoon van Mieneke) af en toe iets bij heeft verzonnen.
Al snel vond ik een aantal foto’s op de website van het Brabants Dagblad én ik vond de website  ‘De moederbanden‘ van de auteur René den Ouden, waar ik een aantal opnames van de moederbanden kon beluisteren. Echt waar!
Weer tranen.
Want dan hoor je Peters prachtige bariton en de mooie alt-stem van Ans.
Ook het kwartet hoor je zingen: dan doen sopraan Mieneke en tenor Jean ook mee.
Tenslotte beluisterde ik een interview met Den Ouden in het dagelijkse boekenprogramma ‘Paperback Radio’ op Amsterdam FM; dat staat ook op die website.

De beschrijving van het 25-jarig huwelijk van Willem en Mieneke bracht mij in gedachten terug naar de jaren ’70, toen er een Brabantse familie bij ons op de camping stond en waar ik als 12-jarige met ogen op stokjes naar keek: lees maar eens hoe anders het er bij de zuiderlingen aan toe ging dan bij ons……’Die Brabanders‘.

Reageren

3 september: Bentheim (1)

Met neef Cor togen we dus na de hunebedden in Valthe naar Burg Bentheim.
Als je het plaatsje Bad Bentheim binnen komt rijden zie je het oude kasteel al van verre liggen; het is gebouwd op een rots die hoog boven het landschap uitsteekt: een strategische plek, want van daaruit heb je zicht op de hele omgeving rondom.
We kochten een kaartje en begonnen aan de rondgang met een bezoek aan de Catharinenkirche: de slotkapel.
Daar stonden we oog in oog met de Herrgott von Bentheim: dat is een crucifix uit de elfde eeuw. Het is één de vroegste Christusbeelden in Midden-Europa, het stamt uit de 11e eeuw. Het werd in 1828 gevonden op een akker in de buurt. Vermoed wordt dat het eeuwenlang diende als een wegkruis en aan het begin van de reformatie werd omgegooid, om daarna langzaam onder het zand te verdwijnen.
Meer weten? Hierbij een link naar een artikel over het beeld op de website van Burg Bentheim.

We vervolgden onze route, beklommen de toren en wandelden over de dikke kasteelmuren (5 meter breed(!))  van de ene naar de andere kant. Ondertussen zagen we diepe kerkers, solide torens en indrukwekkende kanonnen. Mét inscriptie.
De burcht is ontzettend oud; hij wordt voor het eerst genoemd in 1050.
We liepen op zandstenen trappen die al eeuwenlang worden belopen, je zag duidelijk de uitgesleten plekken op de treden waar de meeste voeten langsgingen.

Een gedeelte van het kasteel is ingericht als bezoekerscentrum; toen wij er waren was er een tentoonstelling over alchemie.
Verder is in het midden van de burcht zien hoe men vroeger leefde: een grote hal voor ontvangsten, een ingerichte eetzaal, een studeerkamer en boven een luxe slaapkamer en een aantal ruimtes met vitrines met bezienswaardigheden. Zo zagen wij harnassen, een foeilelijke helm met een adelaar er op  en een toren met verschillende gevangenis-cellen waarin vroeger mensen gemarteld werden om bekentenissen af te dwingen.  Er hing een grote poster met “Das Rechtswesen im Mittelalter” erop met afbeeldingen van wat die arme mensen vroeger zo al werd aangedaan.  De verklarende tekst bij één van de plaatjes ‘Peinliche Befragung eines Verhafteten’ zegt genoeg.
Brrrrr. Niet teveel bij nadenken; we zijn er maar niet te lang bij blijven staan.

Er was heel veel te zien en te beleven in het slot, dat past allemaal niet op één blog, wordt één dezer dagen vervolgd. Dan lees over de geestverschijning de Witte Juffer die af en toe door het kasteel dwaalt, niet te verwarren met het bruidje (in het wit) dat we tegenkwamen in één van de gangen.

Reageren

Pagina 48 van 398

Mogelijk gemaakt door WordPress & Thema door Anders Norén