Vorige week kregen we een digitale rouwkaart van Betsy, de moeder van Jan, één van onze vrienden.
Het gezin woonde vroeger bij ons in de straat; zij op nummer 18, wij op nummer 13.
Wij waren hervormd, zij gereformeerd, maar we zaten wel op dezelfde basisschool.
Jans broer Albert zat één klas lager dan ik, Jan zat bij mijn broer in de klas.
Betsy zat al jong in een rolstoel. Gistermiddag tijdens de rouwdienst in de kerk in Hoogersmilde hoorden we haar levensverhaal, waaruit duidelijk werd hoeveel impact die handicap heeft gehad op het leven van haar en man Jans.

Ze kon fysiek vaak niet meedoen, maar ze deed wat ze wél kon en op haar eigen manier.
Ze was heel creatief, maakte prachtige kaarten en gedenkbordjes met zorgvuldig gedroogde bloemen. Wij kregen met de geboorte van Frea ook zo’n bordje; heeft jaren op Frea’s kamer gehangen. Verder verzorgde ze jaren de nieuwsbrief voor de kerk en stond er wekelijks een liturgisch bloemstuk op de avondmaalstafel: met bloemen, kleuren en attributen verbeeldde ze het thema van de zondagse eredienst.

Gistermiddag stond er ook zo’n litugisch bloemstuk naast haar kist.
Niet gemaakt door Betsy, maar door haar schoondochters Frida en Janet.
Het was ontroerend mooi en met zorg samengesteld; alle aspecten van haar leven waren er in te zien.
Het schilderij dat ze zelf had gemaakt, dat ook de voorkant van de rouwbrief sierde.
De kleine, vilten poppetjes die ze gebruikte bij de verschillende feesten/jaargetijden en het kerkgebouw van Hoogersmilde in het centrum van de schikking.
Het boekje ‘Op weg naar het beloofde land’ was ook zo goed gekozen; Betsy verlangde de laatste weken, die erg zwaar waren voor haar, naar het einde.
Er was ons gevraagd of we allemaal een (veld)bloem wilden meenemen; ik had een blauw/roze hortensiabol uit onze tuin geplukt. Die bloem kon je op de rand van de kist in een bloemenrand prikken: toen de kist de kerkzaal werd binnengereden was Betsy omringd door een kleurig boeket van bloemen.

Een dienst in Hoogersmilde roept altijd extra emoties op door onze band met het dorp in het verleden. Het gebouw, de herinneringen aan eerdere uitvaarten (ouders, schoonouders, broers) en de mensen die we allemaal nog kennen: het voelt zo vertrouwd, ook al zijn we er al meer dan 35 jaar weg. Toen psalm 121 werd ingezet aan het begin van de dienst schoot ik vol omdat het van harte en uit volle borst werd meegezongen door de hele gemeente; dat is immers tegenwoordig bij begrafenissen lang niet altijd meer het geval. Het was een sobere dankdienst voor Betsy’s leven die paste bij bij hoe zij in het leven stond.

Janet sprak namens de familie een dankwoord uit, waarbij de nadruk lag op wat Betsy aan het eind van haar leven zo duidelijk had uitgesproken: ze was dankbaar voor alles wat ze had gekregen, voor haar leven en voor de mensen om haar heen.
Op de rouwkaart stond als koptekst: “Ik zal terugkeren naar mijn huis.”
Hoe ze dat voor zich zag had ze op het schilderij al verbeeld.