Eergisteren beloofde ik het al: mijn blog over het moederschap.

2020: Moeder

In 1986 werd ik moeder.
Of je al dan niet moeder wilde worden was toen nog niet echt iets waar je heel lang over nadacht: het hoorde er min of meer bij.
De zwangerschap vond ik spannend en de eerste keer leven voelen in mijn binnenste ervoer ik als iets heel bijzonders.
Maar ik was geen geboren moeder.
Voor mij geen zoete pastelkleurige zwangerschapswolk en zwijmelen boven petiterige babykleertjes.
Bij mij speelden vooral veel vragen.
Zou ik het wel kunnen, moeder zijn? Zou ik mijn werk niet vreselijk missen?  Zou ik het eigenlijk wel leuk vinden, zo’n baby?

Toen oudste dochter Frea in het ziekenhuis in Assen werd geboren waren er wat complicaties tijdens en na de bevalling,  waardoor ik de eerste dagen thuis niet erg mobiel was.
Maar Frea had niet alleen een moeder,  maar ook een vader. Een geboren vader.  Gerard redderde met flesjes en kruikjes en verschoonde het kleintje alsof hij nooit anders gedaan had. Vanuit het kraambed keek ik wat zorgelijk toe: hoe moest dat nou straks als de kraamhulp weer weg was en Gerard naar zijn werk?
In de week daarna kwam mijn moeder iedere dag en toen ik na twee weken alleen was ging het eigenlijk allemaal best goed.
Na wat onwennige onhandigheid kreeg ik slag van het omgaan met een baby en het ging me goed af.
Maar ook nu was er geen sprake van een roze wolk.
De eerste zes weken van alleen maar voeden,  wassen,  verschonen en weer in bed leggen gaven me niet de voldoening van een volle werkdag in Assen.
Ik sprak overdag ook niet zoveel anderen,  dus mentaal werd ik niet erg uitgedaagd.

Wat in de loop van de jaren bleek,  was dat het moederschap alleen me niet genoeg voldoening gaf.
Ik had meer uitdaging nodig, moest af en toe even weg bij de luiers en de kinderpraat.
Toen we dat eenmaal geconstateerd  hadden vonden Gerard en ik daar wel een weg in.
We regelden oppas voor een avondje uit of iets anders leuks en ik deed naast het moederschap en het huishouden allerlei vormen van vrijwilligerswerk en vanaf 2001 ging ik buitenshuis betaald werk doen.

Geen roze wolk, wel een betrokken moeder. Daarbij deed ik vooral de dingen die ik leuk vond (ouderraad, secretariaten, handvaardigheid en muziekdingen begeleiden) en soms was ik er ook even niet. Perfecte moeders bestaan niet; het moederschap heb ik op mijn eigen manier vorm gegeven en daar heb ik erg van genoten,  al kon ik de dames natuurlijk ook wel eens achter het behang plakken en zij hadden ook wel eens de stomste moeder op de hele wereld. “Stomme klakka mama” waren nog de meest milde woorden die mij door een dochter werden toegevoegd.

Op een Engelstalige site las ik ooit de quote: There are two gifts we should give our children: roots and wings.
Wortels om te weten waar je vandaan komt en vleugels om uit te vliegen en zelfstandig te worden.
Nog steeds ben ik moeder, inmiddels heb ik er drie zonen bij!
De dochters landen nog regelmatig op het ouderlijke nest, maar ze hebben hun vleugels inmiddels al ontdekt en kunnen al goed zelf vliegen.

Gelukkig hadden ze niet alleen een moeder, maar was er ook een fantastische vader: hij had opvoed-vaardigheden die bij mij wat minder ontwikkeld zijn en als vader én moeder hebben we het prima gered.