Van het onderdeel ‘Mondje Middelnederlands’ van de Onze taal scheurkalender die in 2025 in ons toilet hing bewaarde ik een paar blaadjes om nog eens een blog over te schrijven.
Het Middelnederlands was een voorloper van de moderne Nederlandse taal. Het werd tussen 1200 en 1500 in ons taalgebied gesproken; het was de opvolger van het Oudnederlands.
We beginnen met een verhaal uit deze rubriek over het woord ‘vlinder’.

Vlinder is een woord dat in het Nederlands, Engels, Frans en Duits verschillend is: butterfly, papillon en schmetterling.
Hoe ontstond de Nederlandse vlinder?
Het Middelnederlandse woord voor vlinder is capelle.
Dat komt van het het Latijnse capella, de verkleinvorm van cappa: veelkleurige mantel; we vinden dat ons terug in ons woord cape.

Maar het Middelnederlands had ook andere benamingen voor capelle: men noemde een vlinder ook pampilion (van het Oudfranse papillon), honichvloy (honingvlieger), pepel ( van het Latijnse papilio), boterschete, vivalter, fiefouter en vliecheltere, maar ook vlieder (vlieger) waaruit zich het woord vlinder heeft ontpopt.
Tot zover de vlinder.

Soms lijkt het Middelnederlands erg op onze huidige taal, maar sommige woorden kunnen leiden tot een verkeerd begrip.
Voorbeeld: ‘Die kinder sullen haren vader slachten’. Slachten betekent in dit verband niet afslachten, maar ‘lijken op’.
Woorden uit een andere taal die sterk lijken op onze hedendaagse Nederlandse woorden, worden valse vrienden genoemd.
Een bekend voorbeeld is bellen, dat in het Duits blaffen betekent.
Nog een paar valse vrienden uit de middeleeuwen:
Rovers wilden tlant beschaven
Dit betekent niet dat rovers het land tot beschaving kwamen brengen, maar dat ze het kaal maakten (afschaafden) – oftewel: dat ze kwamen roven of plunderen.
Si ginghen te bedde hemelike
Dit is niet de middeleeuws benaming van een hemelbed, maar het gaat hier om hemelike in de betekenis ‘heimelijk’.

De handschriften in het Middelnederlands bevatten veel omvangrijke teksten, maar je vindt er ook spreuk-achtige zegswijzen.

Niemand sine vrient en weet
alse hem sijn dinc ten besten gheet.
Maer die vriende werden becant
alst hem qualijc gheet in hant.

Een soort tegeltjes-wijsheden dus.
Niemand weet wie zijn vrienden zijn als het hem voor de wind gaat.
Maar de vrienden worden bekend als het hem beroerd gaat.

Ende wildi aldie werelt dwinghen
so hout uwe beurs van ghelde vet
Die vrouwen sullen om u dringhen
die heren hebdi in uw net. 

Als je de wereld je wilt wilt opleggen,
zorg dan voor een dikke portemonnee,
de vrouwen zullen zich om u verdringen
en de heren heb je in je greep.

Ze wisten toen kennelijk ook al dat een mens niet kan multi-tasken:
Die twe dinghen te gader doet 
Die sijn selden beide goet.
Wie twee dingen tegelijk doet
levert zelden twee maal kwaliteit.

En ze snapten ook al dat je je met de juiste mensen moet omringen:
Die hem gheselt metten doren,
Wat hi hem doet, hets al verloren.
Wie zich omringt met dwazen,
wat hij ook doet, het is vergeefs.

Tenslotte een overbekende tegeltjeswijsheid uit het Middelnederlands: ‘Dalderbeste dat men vint, dats dat elc hem selven kint.
‘Nosce te ipsum’ in goed Latijn.