een alternatief voor 'de waan van de dag'

Categorie: Geschiedenis Pagina 2 van 24

23 juli: Markestenen.

Op de afbeelding hiernaast zie je een kruispunt van (fiets)wegen in Drenthe waarop veel te zien is: ik maakte deze foto zondag 13 juli op onze fietstocht tijdens ons zonnige zomerweekend in Westerbork.
Je ziet fietsknooppunt 05 en je ziet het routebordje dat wijst naar de knooppunten 03 en 11.
We fietsen het Nationaal Park Drentse Aa in, volgens het bordje van Staatsbosbeheer mag je hier vrij wandelen.
Er staat een ANWB-paddenstoel waarop je kunt zien dat Hooghalen nog 3,1 km is en Zwiggelte 4,2 en er ligt een vrij grote zwerfsteen waar een informatiebordje bij staat. Op dat bordje staat de volgende tekst:

Toen de mensen in de middeleeuwen op een vaste plek gingen wonen, ontstonden er dorpen. De venen, heide, weilanden en bossen rondom het dorp waren van alle inwoners samen. Dit was hun gemeenschappelijk bezit en samen reguleerden de boeren het beheer en gebruik van die gronden. Het dorp vormde, samen met het omliggende gebied, de Boermarke. Eeuwenlang bepaalden de boermarken hoe de Drentse dorpen bestuurd werden.
Op diverse plekken in de provincie Drenthe liggen markestenen. Deze stenen markeerden eeuwenlang de grenzen tussen de verschillende boermarken. De steen hiernaast ligt op de plek waar vroeger de grens was tussen de boermarken van Hooghalen en Zwiggelte.

Een klein stukje geschiedenis van deze stenen en de boermarken haalde ik van de website van de Vereniging Drentse Boermarken:
De boermarken kunnen worden beschouwd als de voorloper van onze huidige gemeenten. De verdeling van Drenthe in boermarken is vanaf de 13e eeuw tot aan de Franse tijd begin 1800 van kracht geweest. Napoleon heeft door het instellen van de gemeenten een eind aan de hegemonie van de Boermarken gemaakt. Vanaf 1815 tot aan 1880 hebben de Boermarken min of meer gedwongen hun gemeenschappelijk bezit onder de aangesloten eigenaren de gronden moeten verdelen. Er waren echter een aantal uitzonderingen, gronden die niet waren te verdelen, namelijk de brinken en de toegangswegen naar de verdeelde landerijen. Veel van deze objecten zijn later overgeheveld naar gemeenten.

Die markestenen liggen dus nu nog overal; ‘marke’ betekent letterlijk grens of scheiding.
Mooi om te weten dat grote zwerfkeien in Drenthe in het verleden niet alleen maar voor funderingen en hunebedden werden gebruikt!

Geïnteresseerd in de Boermarken en bijbehorende markestenen?
Hierbij een link naar de website waar ik bovenstaand citaat vanaf heb gehaald.

Reageren

16 juli: Mokum in Meppel.

In 2014 stonden wij, toen nog met de caravan van mijn ouders, op een boerencamping in Nijeveen. We wilden toen een stadswandeling doen in Meppel, maar het was die dag Mokum-in-Meppel-dag. Toen we de stad in fietsten schalden Hazes en tante Leen ons al tegemoet; dat ging ik niet een hele dag aanhoren, dus wij gingen iets anders doen: een fietstocht naar de ooievaars in De Wijk.

“Waarom zou je in ’s hemelsnaam een Amsterdamse dag in Drenthe organiseren?” vroeg ik me destijds in arrenmoede af. Toen we eind juni van dit jaar met Happen en Trappen in Meppel waren kreeg ik, elf jaar later, antwoord op die vraag. Aan de muur van herberg ’t Plein waar wij ’s morgen koffie dronken hingen twee informatieborden met een en interessant en onverwacht verhaal over de band tussen de steden Meppel en Amsterdam.

Vroeger ging de handel tussen Meppel en Amsterdam over de Zuiderzee, na 1932 over het IJsselmeer.  Die handel nam al grote vormen aan na 1600.  In Holland was de turf die voorhanden was in die regio allemaal opgestookt en daarna werd die brandstof uit Drenthe gehaald: turf was in Drenthe nog volop voorradig en vanuit Hoogeveen, Emmen en Groningen werd het naar Meppel vervoerd.  Rond  1650 leefde ongeveer de helft van de bevolking in Meppel van de scheepvaart; het machtigste gilde in die tijd was het schippersgilde.  Turfschepen en beurtveren voeren heen en weer over de Zuiderzee; ze namen naast turf ook slachtvee, zuivel, graan, geweven stoffen en zeildoek mee. Het was heel normaal dat op de markt van Amsterdam brood, meel, boter en stoffen uit Meppel te koop waren.  Op de terugreis werden dan luxe producten zoals specerijen noten en rijst  meegenomen om vanuit hier weer door te verkopen; nog steeds vind je in Meppel veel pakhuizen.
In 1870, toen de provincie verordonneerde dat alle straten, pleinen en kaden een naam moesten krijgen kregen de kades van het kanaal deftige Amsterdamse namen zoals Prinsengracht en Keizersgracht.

In de loop van de eeuwen ontstonden er hechte contacten tussen Meppel en Amsterdam; dat kwam onder andere door de vaste scheepvaartdiensten van de veerbooten en vrachtschepen op Amsterdam. Schippers uit Meppel hadden familie in Amsterdam en meisjes en vrouwen die een betrekking zochten bij een rijke familie trokken veelal naar Amsterdam.
Het kwam zelfs voor dat arme jonge vrouwen van de diaconie in Meppel geld kregen voor een enkele reis naar Amsterdam om zo hier de armoede te ontvluchten; daar konden ze een man vinden en de familiebanden tussen Meppel en Amsterdam werden er alleen maar sterker door. Andere keerden toch terug om in Meppel te trouwen, maar ook dan bleven er banden bestaan met Amsterdam.

Mooi verhaal!
Dat ik nu de reden van de Mokum-in-Meppel-dag weet, wil natuurlijk niet zeggen dat ik daar heen ga.
Lijkt het jou wel leuk?
Dit jaar is het op 14 augustus ‘Mokum in Meppel!’

Reageren

5 juli: “Hier stonden ze…..”

In 2023 deden we als Havenstappers een stadswandeling in de stad Groningen; daarover schreef ik destijds het blog ‘Filistijnen in de bus‘.
Tijdens die stadswandeling liep ik een tijdje naast Gerrit Alssema, die mij vertelde dat hij zijn familiegeschiedenis had uitgeplozen en dat hij nu wist dat zijn voorvaderen in Groningen hadden gewoond. Hij wist zelfs waar. “Ik nodig je hierbij uit voor een privé-stadswandeling, dan laat ik je zien wat ik heb ontdekt.”
Dit voorjaar kreeg ik van hem het boek ‘Een stap verder terug’ dat hij zelf heeft geschreven over zijn familie en we maakte een afspraak voor vrijdag 4 juli; gistermiddag rond 13.00 uur werd ik van huis opgehaald.

We begonnen de wandeling in de Martinikerk. “Ik neem je mee naar de 18e eeuw. In februari 1746 gaan Jan van Alsema en Nisiena Voskuil naar de Martinikerk om hun zoon Hindrik Rudolf te laten dopen. Hier stonden ze…..”
Hij vertelt dat hun zoon in 2020 in deze zelfde kerk getrouwd is en laat zien waar ze met de familie zaten.

….. hier stond de Poelepoort…..

De hele wandeling is een aangename combinatie van verhalen over familieleden en over de geschiedenis van de stad.
Na ons bezoek aan de Martinikerk lopen we door de straat die vroeger ‘Achter de muur’ heette, die als een soort ringweg om de hele oude binnenstad heenliep achter de stadsmuur langs.
Bij de Poelestraat laat Gerrit aan de hand van een oude tekening zien waar de Poelepoort heeft gestaan en komen we achter het Pepergasthuis langs. Daar is nog een heel klein stukje van de middeleeuwse stadsmuur te zien.

Nou ken ik de stad Groningen toch redelijk goed en toch heb ik gistermiddag weer veel nieuws gezien en geleerd: ik keek nu met de ogen van Gerrit en zijn familiegeschiedenis.
Naar het Schuitendiep, waar ‘daar in de verte buiten het kleine poortje’ vroeger de molen stond waar één van zijn voorvaderen werkte; waar de stukken land lagen die in het bezit waren van zijn familie.
Naar het pand tegenover C&A waar nu “H&M” zit, waar Jan en Nisiena woonden. “Van hieruit liepen ze met hun kind naar de kerk voor de doop”.
Onderweg kwamen we nog langs de Jozefkerk, waar ik natuurlijk even naar binnen wilde.
Daar hoorden we het verhaal van de wijding van deze kerk, gewijd aan Sint Jozef, die altijd wordt afgebeeld met een bloeiende staf.
“Daaraan kon Maria zien dat hij de ‘ware Jozef’ was….”

Tijdens de wandeling merkte Gerrit op dat de stad in 1746 nog helemaal niet zo groot was en we filosofeerden nog even over de straten: zouden er steentjes in hebben gelegen?
Of waren het nog zandwegen? En waarom heet het daar eigenlijk Herestraat? Is dat omdat er zoveel hoge heren aan woonden? Of had het te maken met het leger/het heer, dat over die weg optrok tegen de vijand? De middag was mij eigenlijk te kort, maar dat vonden mijn voeten niet. En mijn hoofd ook niet. Maar wát een leuke middag had ik met (de familie van) Gerrit!

Reageren

4 juli: De hotspot & het kanaal.

Vandaag het laatste blog over onze belevenissen tijdens het Hemelvaartsweekend dat we met de vrienden doorbrachten op Het land van Bartje.
Over de vele hunebedden en de kerken  schreef ik al een blog, dit laatste verhaal gaat over de Hondsrug in de préhistorie en het kanaal Buinen-Schoonoord

Toen we in de buurt van het Hunebedcentrum in Borger fietsten zagen we in de verte het silhouet van een mammoet.
Echt waar.
Maar het was geen echte; je ziet hem op de afbeelding hier links.
Zo’n ontmoeting met een mammoet zet me dan aan het denken.
Hoe zou het er toen hebben uitgezien hier?

Die vraag werd beantwoord op de tweede dag dat we gingen fietsen.
We gingen toen o.a. kijken bij een ‘hotspot’ in het Geo-Park ‘De Hondsrug’ tuseen Borger en Ees in.
Er liep een smal riviertje, het Voorste Diep, en er was een soort uitkijktoren met een infopaneel met uitleg over wat we zagen.
Je kreeg een mooi beeld van hoe het het landschap er in de préhistorie uit heeft gezien. (klik op de afbeelding voor een vergroting.)
Het onderwerp van deze hotspot was: ‘het doorbraakdal in de Hondsrug bij Ees’*.
Meer dan 100.000 jaar geleden aan het eind van de Saale-ijstijd ontstond door schuivend en smeltend ijs een langgerekte heuvelrug. Achter deze zogenaamde Hondsrug verzamelde zich zoveel smeltwater dat het door de heuvelrug brak. Zo ontstond ten zuiden en oosten van Borger een diep en groot doorbraakdal. Het water van het huidige Voorste Diep stroomt door dit dal.

Enkele honderden meter daar vanaf ligt het Kanaal Buinen-Schoonoord; dat kanaal is aangelegd als een werkverschaffingsproject in de jaren 1926 tot 1930.
Het was bedoeld om de verbinding te vormen tussen het Oranjekanaal en het Stadskanaal.
De aansluiting zou plaatsvinden via de Borger-zijtak van het Oranjekanaal en het inmiddels gedempte Zuiderdiep in Nieuw-Buinen.
Tussen Bronneger en Borger is bij de aanleg van het kanaal gebruik gemaakt van het al aanwezige Voorste Diep dat door het bovenbeschreven ‘doorbraakdal’ liep.
Maar net als met het Oranjekanaal: het kanaal kon niet rendabel worden geëxploiteerd. (Over het hoe en wat schreef ik al eens een blog onder de titel ‘Een ruïne’?)  Sinds 1966 heeft het kanaal geen scheepvaartfunctie meer, maar wordt nog alleen gebruikt ten behoeve van de recreatie.

We fietsten een heel stuk langs dat kanaal en het was prachtig: ik zag zelfs een ijsvogeltje vliegen!
Op de foto hiernaast zie je een oude sluis die in onbruik is geraakt.
Ben je daar eens in de omgeving, maak dan eens een fietstocht langs dat verstilde kanaal: wát een verschil met het toeristische Borger waar je vanwege de drukte moet uitkijken waar je fietst…..

* Meer weten?
Hierbij een link naar een erg leuk en verduidelijkend artikel over ‘Het doorbraakdal bij Ees‘ op de website van Geopark De Hondsrug.

Reageren

21 juni: Een cadeautje, uitgepakt in Leeuwarden.

Vorig jaar in oktober woonde ik de plechtigheid bij waarin nicht Coby haar bul uitgereikt kreeg.
Als cadeautje had ik toen een envelop mee met een uitnodiging: een dagje ‘oude stad’ naar keuze.
Ze koos voor Leeuwarden; gistermorgen kwamen Annette en Coby gezellig koffiedrinken en daarna togen we met z’n tweeën naar de hoofdstad van Friesland.

Na de lunch hadden we een afspraak met Zenon van Leeuwarden Free Tours voor een stadswandeling.
Hij vertelde over het ontstaan van Leeuwarden*  op drie terpen en wees ons op de scheve toren ‘Oldehove’ .
In de 16e eeuw wilden de Leeuwarders een kathedraal bouwen die hoger zou zijn dan de Martinikerk in Groningen en de Domkerk in Utrecht.
Toen de toren nog maar tien meter hoog was zakte hij al scheef en toen hij veertig meter hoog was kwam het helemaal niet meer goed: men staakte de bouw. De kathedraal voor de heilige Sint Vitus is er nooit gekomen.
We konden trouwens de contouren van de kathedraal wel zien: er was een groot kunstwerk gebouwd in de vorm van de kathedraal die nooit is afgebouwd.

Het was geen stadswandeling met veel jaartallen: Zenon vertelde ons vooral verhalen.

… eetkamer ….

Hij  vertelde het verhaal Marijke Meu (Maria Louise van Hessen-Kassel) en nam ons mee naar haar eetkamer die nog te bezichtigen is in het Keramiek Museum. Toen hij wilde vertellen over een andere belangrijke vrouw in de Leeuwardergeschiedenis dacht één van de medewandelaars dat dat Mata Hari moest zijn, maar dat was niet het geval!

Het volgende verhaal ging over Titia Bergsma die met haar verschijning veel invloed heeft gehad op de Japanse kunst en cultuur.; een verhaal dat ik nog nooit had gehoord.

Maar natuurlijk kwamen we ook langs de mooie panden van het Anthony Gasthuis, waar ook nu nog een vorm van beschermd wonen wordt toegepast en we zagen het Joodse monument en de Joodse school. Daar hoorden we dat de kinderen vóór de 2e Wereldoorlog door de week gewoon naar een openbare lagere school gingen en alleen op woensdagmiddag naar de Joodse school voor godsdienstonderwijs.  De wandeling eindigde in de Jacobijnerkerk, waar zich de grafkelders van de Friese Nassaus bevinden.

Anderhalf uur duurde de wandeling; toen hadden we nog maar een klein stukje van de stad gezien…..maar we kregen een foldertje mee en wat tips van dingen die we zeker nog even moesten gaan bekijken.
Maar dat gingen wij gistermiddag niet meer doen.
We pikten nog een terrasje, kochten een lekker ijsje en toen was de middag al weer om!

Leeuwarden is voor mij natuurlijk niet onbekend: dochter Carlijn heeft daar een aantal jaren gewoond/gestudeerd, dus toen hebben we ook al een aantal dagen in deze mooie stad doorgebracht.
Hieronder zet ik de drie blogs die ik daarover schreef in de loop der jaren nog even op een rijtje:

Stadswandeling in 2015 met Carlijn : Arrestantencellen voor hoge nood. 
Een bezoek aan het Fries Museum in 2016: Breien in het Fries Museum
Herinneringen ophalen in 2020 Blokhuispoort en hééérlijke nacho’s 

* Meer weten over het ontstaan en de ontwikkeling van Leeuwarden? Hierbij een link naar de website Wierden en Terpen

Reageren

14 maart: Groningen zooals het vroeger was (4) – de Poelepoort.

In de serie ‘Groningen zooals het vroeger was’ vandaag een blog over De Poelepoort.
In het boekje dat ik van Essina kreeg staat een pentekening van C. Pronk uit 1754: Binnen-Poelepoort  met omgeving, van de buitenzijde gezien.
De afbeelding hiernaast heb ik gefotografeerd vanuit het boekje; als je er op klikt krijg je een vergroting.

De Poelestraat wordt voor het eerst genoemd in 1325. In de middeleeuwen heette hij Polstraat; de straat liep vanaf de Hondsrug naar de weilanden in de bedding van de Hunze.
‘Pol’ betekent: hoger gelegen gronden, ook wel wierde genoemd. Net als bij Paddepoel: die wijk is vernoemd naar een voormalig blokhuis dat op een hoogte lag. Padde was de naam van de bewoners, poel was de hoogte waar het huis op stond.

Terug naar de poort.  De eerste versie werd gebouwd in de 13e eeuw. In 1470 was de stad zo gegroeid, dat ze moest worden ‘uitgelegd’: er kwam een nieuwe stadsmuur en de Poelepoort werd verplaatst. Hij stond tussen de Schoolstraat en de Schiemakersgang. Het brede gedeelte van de straat achter de poort was oorspronkelijk een weerplein; deze verbreding diende om het Stadse leger achter de poort op te kunnen stellen. Daar werd vroeger ook de paardenmarkt gehouden; tegenwoordig is dit in de zomer één van de grootste terrassen in de stad Groningen.
In het begin van de zeventiende eeuw verloor de poort haar functie als toegangspoort van de stad. Vanaf die tijd werd het solide bouwwerk alleen nog als gevangenis gebruikt. Die functie hield het tot 1828: toen besloot het stadsbestuur de poort af te breken.

Nog even leuk: op zoek naar informatie over de Poelepoort kwam ik terecht bij een een video van OOG TV. In coronatijd ontdekten heel veel mensen het wandelen en OOG TV speelde daarop in met de serie ‘Stadswandelingen’. In de negende afleveren wandelen Beno Hofman en Mirre van de Klok door het uitgaanscentrum van Groningen en ze laten o.a. zien waar de Poelepoort heeft gestaan. Maar ze vertellen nog meer Middeleeuwse verhalen: Café ‘De Spieghel’ bijvoorbeeld was toen een herberg. Verder kom je ook iets te weten over een oase van rust in hartje binnenstad: het Pepergasthuis. Dat werd gesticht in 1405 gesticht door vader en zoon Solleder. Het begon ooit als gasthuis voor pelgrims die naar Groningen kwamen. Men geloofde namelijk dat er in de Martinikerk een relikwie bewaard was van Johannes de Doper, namelijk zijn arm.

Hierbij een link naar dat filmpje van ongeveer acht minuten.

Wil je echt het naadje van de kous weten over de Poelepoort?
Hierbij een link naar de website ‘Nazaten De Vries‘, waar ik een uitgebreid artikel vond met veel interessante informatie en afbeeldingen van deze oude stadspoort.

In augustus 2023 begon ik met deze  serie over de stad Groningen, naar aanleiding van een boekje met oude lichtdrukken dat ik kreeg van Joop en Essina.
Hierbij een overzicht van de delen die aan dit blog vooraf gingen:

Deel 1: ‘Gezicht op Groningen vanaf de westzijde 

Deel 2: ‘De geschiedenis van de A-Poort.’

Deel 3 : De Grote markt en het gemeentehuis.

Reageren

22 februari: Een ruïne?

Het bezoek aan Labyrinthia in Assen heb ik al beschreven in het blog ‘Labyrinthia – Verdwaald in Assen‘, maar daar is veel meer over te vertellen dan dat ik in dat ene blog kwijt kon.
Vandaag een verhaal over het onderwerp ’turf’.
De ‘Zaal van de energie’ stond helemaal in het teken van die ouderwetse brandstof.
Ik zat op een bankje in die zaal met allerlei werktuigen die gebruikt werden bij het maken van turf en op de grond, voor mijn voeten, zag ik een klankbeeldpresentatie.

De inleiding begon met de constatering dat er dure metalen zitten in je mobiele telefoon, o.a. goud.
Die metalen zitten bijvoorbeeld ook in zonnepanelen en elektrische auto’s. Overal in de wereld doen mensen veel moeite om die metalen uit de grond te halen, want daar wordt namelijk flink mee verdiend!
Vroeger was dat ook al zo.
Toen was turf een hele goede brandstof.
Het wordt gemaakt van veen: dat ontstaat na honderden jaren opeenhoping van lagen oude planten.
In de 17e eeuw, Nederland was een handelsnatie van belang geworden, ontdekken rijke Amsterdammers dat ze geld kunnen verdienen met turf.
Er werden kanalen, vaarten en wijken gegraven voor de afwatering/drooglegging, die ook werden gebruikt voor het vervoer van het eindproduct: de turf. In 1633 werd Hoogersmilde verheven tot Heerlijkheid en begon men in opdracht van de eerste heer Adriaan Pauw met de vervening van de Smilder Venen. Meer weten? Hierbij een link naar de website van Dorpsbelangen Hoogersmilde. 

Het Oranjekanaal bij Westerbork

Door die ontginning veranderden die Smilder Venen van moerasachtige natuur in aangeharkte landbouwgrond.
Daarna verlegde de ontginning zich naar de uitgestrekte moerassen in Zuid Oost Drenthe, het gebied rondom Emmen.

Met kaartjes en foto’s werd het hele proces in beeld gebracht.
Turf bleef een gewilde grondstof tot ongeveer 1920. Daarna stapten veel Nederlanders en bedrijven over op steenkool.
De presentatie eindigde met deze constatering: “In Zuidoost-Drenthe blijft uiteindelijk de grootste ruïne van West-Europa achter: een fascinerende hoeveelheid overtollige waterwegen.” 

Andries Vrieswijk achter zijn turfkar in Coevorden, 1930. (zie: Straatbeeld)

Een ruïne van overtollige waterwegen.
Daar moest ik echt even over nadenken.
En ik moest denken aan mijn opa Vrieswijk die volop had meegewerkt in die turfindustrie.
Mijn vader zelfs nog.
Die stapelde als jongetje van een jaar of 8 met zijn broertjes de turven die door het luik in het ruim van opa’s turfschip werden gekieperd netjes in rijen op de bodem.
Met de kennis van nu weten we dat de steenkoolmijnen in Limburg eenzelfde lot is beschoren.
Ook daar vinden we nu een ruïne van overtollige mijngangen.
En ook de opvolger van het steenkool, het aardgas veroorzaakte zijn eigen ruïne: de aardbevingsschade in Groningen.

En onze huidige energievoorziening?
Welke ruïnes veroorzaken die?
Hoe gebruiken we de aarde?

Nog niet in Labyrinthia geweest?
Foei!

Reageren

5 februari: Blogbouwstenen (14) – Een rijtuigie.

Vorige maand week kwam in de Arbeidsvitaminen het lied ‘In een rijtuigie’  voorbij.
Dit lied komt uit de tv-serie “Ja zuster, nee zuster” met teksten van Annie M.G. Schmidt en het kwam op single uit in maart 1968.
Uit mijn jeugd.
Ik was 7 jaar toen het uitkwam, maar toen hoorde ik het nog niet.
Het viel me pas op toen Wim Sonneveld overleed in 1974 en het liedje regelmatig voorbijkwam.
13 was ik toen. “En maar schommelen en maar kijken naar de KONT van het paard….’
Oooo…. hij zei ‘Kont’!
Als jonge puber kun je ontzettend lachen om zo’n tekst.

Toen dacht ik dat een rijtuig iets uit de vorige eeuw was.
Toen ik het deze week weer hoorde drong ineens tot mij door dat rijtuigen en koetsen in het begin van de 20e eeuw nog heel gewoon waren.
Die twee opa’s beschreven in dat liedje iets wat in hun jeugd nog heel gewoon was ‘je ging scheef bij ieder bochie, o wat een lekker tochie!’
De eerste auto was een koets met een motor.
Toen ik aan Gerard vertelde van mijn gedachten bij dat liedje zei hij: “Ja, weet je nog wel dat tante Riek vertelde dat ze vroeger bij haar thuis op de boerderij een koets hadden? “Wij gingen nooit lopend ter kerke, wij hadden een eigen koets.”
O jah!
Tante Riek, zo noemden wij mevrouw Deknatel, die naast ons aan de Boskamp woonde toen wij in 1989 in Roden kwamen wonen.
Een in onze ogen stokoude vrouw die toen nog maar 77 was.
Ze was een beetje wereldvreemd.
Zij vertelde over die koets om aan te geven dat haar familie rijker was dan gewoonlijk in Warffum; ze hadden een herenboerderij.

Wij kregen bij ons thuis een auto aan het eind van de jaren 60.
Daarvóór maakten mijn ouders gebruik van de fiets, de bus en de trein.
Onze familie was niet rijk, dus wij hadden geen eigen rijtuigen en koetsen.
Kinderen die nu opgroeien kijken net zo naar de jaren ’60 als ik in mijn jeugd naar het begin van de 20e eeuw keek.
Andere tijden.
Niet meer voor te stellen.

De ontwikkelingen zijn de laatste 50 jaar op alle gebieden heel snel gegaan.
Van ‘rijtuigie’ naar elektrische auto.
Van gewoon schrijven, via een typemachine naar een tekstverwerker/computer.
Van een zwarte, bakelieten telefoon aan de muur naar een persoonlijke, mobiele telefoon waarmee je de hele wereld binnen handbereik hebt.
Van een kruidenier, een bakker, een slager en een melkboer naar één supermarkt.
Daar mijmer ik na zo’n gesprekje dan nog even over door.
Hoe zal de wereld er over 10 jaar uit zien?

Wat zo’n rijtuigie op een doordeweekse dinsdag in mijn hoofd teweeg brengt!
Ook even luisteren/mijmeren?
Hierbij een link naar een video op You Tube.

 

Reageren

28 november: …. de asch van hem…….

Op 1 november was ik door neef Cor uitgenodigd voor een middagje geschiedenis.
We begonnen met een stadswandeling in en rond Assen.
Daarna nam Cor mij mee naar een hunebed dat ik nog niet had gezien: D16 dat ten noordwesten van het dorp Balloo ligt. Je kunt er alleen  komen via zandwegen.
Het ligt op de Ballooër-es, aan de rand van het natuurgebied Kampsheide.
Het is één van de grootste hunebedden: bijna 16 meter lang en bijna 4 meter breed.
In de buurt van dit hunebed is een nederzetting van de Trechterbekercultuur gevonden.
De dingen die zijn gevonden zijn te zien in het Drents museum.
Verder vond men daar celtic fields en er zijn ook diverse grafheuvels.
Die heuvels ontstonden na de hunebedperiode doordat de as van de doden in een kringgreppel en later (vanaf de 6e of 5e eeuw v.Chr.) in een vierkante greppel werd gedeponeerd. Over de crematieresten werd een lage plaggenheuvel opgeworpen, een brandheuvel. Deze liggen vaak in groepjes bijeen, zoals bij 38 grafheuvels van het Tumulibos bij Ballo-Rolde nog te zien is. De grafheuvels dateren uit de Nieuwe Steentijd, Bronstijd en IJzertijd.
Cor en ik liepen er langs, maakten wat foto’s en bekeken het informatiebord dat ons alles vertelde over dit tumuli-bos.

Daarop stond een mooi gedicht ‘Het tumulibos bij Assen’, geschreven door L. Koops.
Vond ik mooi. Mijmeringen van een mens uit de 20e eeuw bij eeuwenoude grafheuvels.
Je vindt het hieronder; let vooral op de laatste regels.

Geen pracht en praal, geen marmersteen
geen keur van bloemen om U heen
geen opschrift met Uw roem en lof
geen rustplaats in een weidschen hof
een nietig hoopje hei en aarde
is alles wat de tijd U spaarde.
En berk en den en gouden brem
staan zwijgend aan Uw zij
en stormwind zingt op het oude graf
het lied dat eens u vreugde gaf:
het lied van Drenthe’s hei.
Waar leefdet Gij? Hoe en wanneer?
Voor hoeveel duizend jaar?
Hoe stierft Ge? Strijdend of in vree?
Wie droeg U naar Uw laatste stee?
Wie maakte Uw heuvel klaar?
Geen antwoord klinkt, doch heiwind zingt.

Doch zeker weten wij: Gij leefdet eens op Drentschen grond
en zwierft in ’t oude Drenthe rond
en vondt Uw graf op de hei.
Slaapt rustig voort, door niets gestoord
en zullen eeuwen gaan, gij kleine hoopjes aarde
vervallen, zonder waarde, zult onberoerd hier staan.
Geen ploeg zal U ooit schenden, geen spa zij hier gebracht
Wij willen u bewaren voor ’t verre nageslacht
omdat wij eerbied voelen voor ’t graf dat hier omvat
de asch van hem die Drenthe het eerst heeft liefgehad.

Reageren

21 november: Geschiedenis om de hoek

Twee weken geleden reed ik ’s morgens rond acht uur naar mijn werk.
Toen ik Roden uit reed zag ik links van me groot materieel bezig op het weiland bij Maatlanden-De Zulthe.
“O, daar gaan ze natuurlijk bouwen’ wist ik van de krantenberichten uit de regionale pers; er worden daar 100 woningen gebouwd.
Toen vroeg ik me ook gelijk af: zouden ze daar ook archeologisch onderzoek doen?
Wat ik weet van oude kaarten is dat daar kleine gehuchtjes lagen met namen als ‘Vogelzang’ en ‘De Zulthe’: een paar boerderijen omgeven door akkertjes en essen.
Er staan daar nu nog twee grote herenboerderijen met die namen er op.

Vorige week verscheen het volgende bericht op RTV-Drenthe:
Archeologen hebben drie middeleeuwse waterputten gevonden in Roden.
Het gaat om twee houten en één van steen.
Tijdens opgravingen zijn verschillende sporen ontdekt die wijzen op een oude boerderij.
De eerste waterput ontdekten archeologen tijdens verkennende opgravingen bij Maatlanden-De Zulthe.
Daar staat de bouw van honderd woningen op de planning en daarvoor werd eerst onderzoek gedaan.
Het hout van de waterput is bewaard gebleven, omdat het onder het grondwater staat.
Wil je het hele bericht lezen?
Hierbij een link.
Je vindt op die pagina ook een video van anderhalve minuut met beelden van wat ze daar hebben gevonden en op het laatst een mooi beeld van drie blootgelegde stukken grond, gemaakt met een drone.
De laatste zin is:
Hoe oud de vondsten exact zijn, is nog niet bekend. Om meer te weten over de leeftijd en het gebruik van de waterputten, worden ze verder onderzocht. Dit heeft geen invloed op de bouwplannen.

Mooi man; ik geniet van zulke berichten.
We wonen in een deel van Nederland waar 3000 jaar voor Christus al mensen woonden.
Stiekem hoop ik op een kleine tentoonstelling van wat er is gevonden als alles onderzocht en gedateerd is.
Gewoon in de Mensinge.
Of in de zomer bij ons in de Catharinakerk!
Waar of bij wie zou ik hierover een balletje op kunnen gooien?

Reageren

Pagina 2 van 24

Mogelijk gemaakt door WordPress & Thema door Anders Norén