Af en toe bezoek ik iemand in De Hullen, een zorgcentrum hier in Roden.
We kletsen een poosje, drinken koffie/thee en doen samen een spelletje in het restaurant.
Meestal is dat restaurant helemaal leeg tussen 14.00 en 16.00, maar de laatste keer dat ik er was zat het achterste deel helemaal vol: er werden bloemstukjes gemaakt.
Kennelijk is dat alleen leuk voor vrouwen, want er was geen man te bekennen.
Het was een vrolijk geroezemoes; er liep een mevrouw die koffie en thee rondbracht en er waren twee dames die hielpen bij het maken van de bloemstukjes.
Wij haalden de Triominos-stenen uit de doos en begonnen aan ons spelletje.
Achter ons zat een groepje vrouwen, waarvan er één steeds hetzelfde melodietje zong.
Laaa la la laaaa…….
Het was niet eens heel luid, want met een zaal vol bloemschikkende vrouwen is het natuurlijk niet stil, maar ik registreerde het melodietje in mijn achterhoofd.
We schoven driehoekje aan driehoekje en ik noteerde de punten.
Laaa la la laaa…… zong de mevrouw achter ons.
“Wat is dat toch voor liedje” dacht ik “ik ken het ergens van…’
Bij de uitgang van het zorgcentrum naast het restaurant parkeerde een rouwauto; een meneer in een onberispelijk grijs pak stapte uit met een aantal kleden over zijn ene arm en een map met papieren onder zijn andere arm.
Een aantal dames was klaar met het bloemstukje en de organisatie begon alvast op te ruimen en pakte een stofzuiger.
Wat een vervelend lawaai; mijn gastheer en ik konden elkaar amper verstaan.
Het melodietje klonk ook weer, zij het met andere klinkers en medeklinkers.
Laaaa di da daaaa…..
Daaa da di daaaaa
Maar het bleef deze keer niet bij die twee regels, het ging verder met Laaaa la laaaaa en toen wist ik het.
Stille nacht.
In mei.
Daarom duurde het zo lang voor ik het lied kon plaatsen.
De zingende mevrouw kwam door de bloemstukjes kennelijk in kerstsferen.
Iedereen doet ontzettend zijn best; er wordt veel georganiseerd en iedereen is lief voor de bewoners.
Maar ik werd kriegel van het alom gebezigde, opgewekte toontje en het irritante ‘laaa la la laaa’ achter me.
Het is ondanks alle goede bedoelingen een deprimerende omgeving.
Degene die ik bezoek zit met een gezonde geest in een lichaam dat halfzijdig verlamd is door een herseninfarct, nu 12 jaar geleden.
Toen ik hem vroeg of hij veel contact had met zijn medebewoners reageerde hij: “Nee, met de meesten lukt dat niet meer.”
Je hoeft bovenstaand verhaal maar te lezen en je begrijpt waarom ik halverwege de middag denk: “Ik mag hier om 16.00 uur weer weg……”
Die keuze heeft niet iedereen.














