een alternatief voor 'de waan van de dag'

Categorie: Alledag Pagina 229 van 309

2 maart: Ellerhuizen!?

Vanmiddag had ik een ontmoeting met ex-collega Gineke en ik trakteerde haar op een lunch bij Moeke Vaatstra in Zuidwolde. Zoals gewoonlijk hadden we weer grote pret, maar dat was voor haar deze keer geen onverdeeld genoegen: ze had een paar gekneusde ribben en hard lachen doet dan zeer. Maar dat deden we wel. Bijvoorbeeld om het verhaal van de zoon van de slager die moest trouwen en die tegen zijn vader zei: “Het is een beetje uit de hand gelopen….” waarna de vader snedig opmerkte: “Was het maar uit de hand gelopen!” Tijdloze humor.

Zij een glaasje melk, ik een glaasje wijn.
Even bijpraten bij een lekker broodje in een gemoedelijke sfeer.
Na de lunch bij Moeke gingen we met een omweg weer terug naar Groningen.
Ze vertelde dat ze met mooi weer wel eens een ‘rondje Thesinge’ fietste. Die route gingen wij nu met de auto verkennen, dus vanuit Zuidwolde reden we met een slakkengangetje langs het Boterdiep naar het noorden. We kwamen langs dorpjes waar ik nog nooit van gehoord had: Ellerhuizen bij voorbeeld.
Het mag de naam ‘dorp’ niet dragen; het is meer een buurtschap.

Maar mensen, wat is het daar mooi.
Statige boerderijen, grote, kale akkers met dikke brokken klei, sloten, weilanden en weidse uitzichten. In ieder petieterig dorpje vind je minstens twee kerken, in Thesinge zelfs een kloosterkerkje uit de 13e eeuw.
Dikke buizerds scheerden over de weg; gelukkig reden we heel langzaam.

Hier wil ik nog wel een keer naar toe, maar dan in de zomer als alles groen is.
Het was nu zo ijzig koud, dat we ons zelfs niet waagden aan een klein wandelingetje buiten de auto. De gekneusde ribben waren al genoeg geplaagd……

Reageren

1 maart : ’t Oortje in Groningen.

Als ik, zoals afgelopen zaterdag, een dagje in Groningen ben, breng ik als het even kan een bezoek aan ’t Oortje.
Het is een klein winkeltje in de Oosterstraat.

De eerste keer dat ik daar kwam was in 1982. Samen met vriendinnen Jeannette en Wilma ging ik af en toe een dagje shoppen in Groningen. Voor mij destijds een wereldstad; Assen was de stad waar ik als 17-jarige op de HAVO kwam en daarna begon ik op mijn 19e bij Iwema’s boekhandel en later ging ik werken bij het parket van de Officier van Justitie in Assen.
We gingen met de trein van Assen naar Groningen.
Dat vond ik altijd al een avontuur; welke trein moest ik hebben? Dat probleem loste zich vanzelf op; ik stapte in de trein waar Wilma en Jeannette (vanuit Beilen) gillend uit hingen.

2018

We beleefden van alles in de stad.
Voor mijn schoonmoeder op zoek naar een dubbelwandige melkkoker.
Op de markt kilo’s druiven kopen, die in de trein naar huis opeten en last van de darmen krijgen.
Brei-visjes, toerentellers en breinaaldbeschermers kopen.
Koffiedrinken bij ‘de drie Beren’.
En altijd naar ’t Oortje.
Het winkeltje was in 1982 geopend en Jeannette troonde ons mee: dat moesten we zien.
Geweldig vond ik het.

Sindsdien koop ik mijn oorbellen in Groningen, ook zaterdag weer.
1982 is 36 jaar geleden, in de loop van de jaren heb ik ettelijke paren gekocht .
Zoveel, dat mijn kinderen het al hebben over ‘Mama-oorbellen’; die van ’t Oortje……..

Reageren

28 februari: Zonder dak.

Vorige week zag ik een fragment van een gesprek met Harry Jekkers in ‘De wereld draait door’. Hij zong twee prachtige liederen, één over zijn vader en één over zijn moeder en hij zei daarbij: “Als je beide ouders zijn overleden, dan voelt het alsof het dak boven je leven weg is; dan regent het af en toe naar binnen.”  Wat een mooie beeldspraak.

Afgelopen weekend kwam de zus van mijn vader bij ons logeren.
Tante Trijn scheelt 13 jaar met mijn vader, ze was het ‘kleine zusje’ met vier broers boven zich. Die vier broers zijn inmiddels tot haar verdriet allemaal overleden en nu mijn moeder er ook niet meer is, mist ze de mensen die ‘vroeger bij oons thuus’ met haar delen.
Omdat ze zo’n stuk jonger is dan mijn vader, stond ze veel dichter bij mijn generatie en in de loop van de jaren is ze meer dan een tante voor ons geworden.
Carlijn zei het laatst treffend: ‘Ze is toch een beetje mijn ‘derde Oma’.

Wat een waardevol weekend hebben wij gehad.
Vrijdagmorgen bezochten we het graf van mijn ouders, waar nu de steen op staat.
Net als het moment dat je de gedrukte rouwkaart met de naam van een ouder voor het eerst ziet, is ook zo’n grafsteen, nu met twee namen, een emotioneel moment.
Definitief.
Afgesloten.
Fijn dat we dit met z’n tweeën konden delen.

Zaterdag stond ‘Groningen’ op het programma.
We dronken koffie bij Wim en Carlijn, gingen met Harriët en Carlijn de stad in en rond 13.00 uur kwamen ‘de mannen’ ook in de binnenstad en genoten we met z’n zevenen van een lunch in Wadapartja.
We sloten ons dagje Stad af met een kop thee bij Harriët en Cees.
Zondag brachten we nog een bezoek aan mijn broer en zijn gezin en daarna dineerden we bij Van der Valk in Assen.
Een mini-familieweekend, zo voelde het.
Eén van de hoogtepunten was zaterdagavond 19.45 uur: met z’n tweeën op onze bank, samen kijken naar Blauw Bloed.
Van mijn schoonzus kregen we zondag nog een hele stapel ‘Vorsten’ mee; konden we nog even plaatjes kijken, jurken bewonderen en juwelen&tiara’s bespreken.

Na het weekend moest ik aan bovengenoemde beeldspraak van Harry Jekkers denken over het dak en de regen.
Mijn tante en ik vormen voor elkaar een soort afdak waar we af en toe onder kunnen schuilen.

Reageren

27 februari: 10 jaar alweer.

1961

Tien jaar geleden was de 27e februari een van de zwartste dagen van mijn leven; die dag overleed mijn vader heel plotseling en moesten we zonder hem verder.
Afgelopen jaar op 16 oktober overleed mijn moeder en ook dat was geen fijne periode, al was het, zo terugkijkend, niet alleen maar kommer er kwel.

Rond deze dagen is mijn vader meer in mijn gedachten dan anders, al wordt het wel ieder jaar minder verdrietig. Nu mijn moeder niet meer leeft is het sowieso anders: ik hoef er niet meer heen en haar verdriet om het verlies van mijn vader, dat eigenlijk de laatste jaren weer erger werd, hoef ik nu niet meer aan te zien.

Maar de herinneringen zijn er natuurlijk nog wel; soms zelfs tastbaar. Gerard heeft de afgelopen maand de oude kamer van Carlijn opnieuw behangen.  Toen mijn vader overleed hadden we dat nog nooit zelf gedaan: dat deed hij altijd! Wij hebben zijn behangspullen geërfd; een houten koffer met behangersgereedschap en een behangtafel. En een oud, zwart kussen van een bank waar je met je knieën op kunt zitten. Zo’n stom ding veroorzaakt soms zo’n klein golfje in mijn maag: dan zie ik hem gewoon nog op de grond zitten. Op de foto hier rechts zit hij op dat kussen in de vensterbank op onze slaapkamer. Carlijn was opa’s grote hulp; zij en opa waren onafscheidelijk. Ik kan me nog een gesprekje met haar herinneren.
“Mama, weet je wel wie mijn grote vriend is?” Ik dacht Rick. Fout. “Opa natuurlijk!”
Onze foto-albums zitten vol met plaatjes zoals hierboven: opa en oma met onze kinderen. We koesteren wat we deelden met mijn ouders en halen af en toe nog eens herinneringen op. Zijn uitspraken als ”Mes hebb’n?” en “Opa giet nou eem Doornroosje speulen…” (als hij in slaap viel tijdens het voorlezen)  komen nog regelmatig voorbij. Ook van het behangen is een foto bewaard gebleven.
Deze is uit 1986, gemaakt toen we in Smilde aan de Vaart woonden. Sweet memories.

Benieuwd naar eerdere blogs over deze dag?
2015 Mien va >>>
2016 The second walz van André Rieu >>>
2017 Alles giet d’r boeten stil um deur >>>

Reageren

26 februari: Storm, aardbeving en vuur.

De profeet Elia ontmoet God in het gefluister van een zachte bries (Oude Testament, Koningen) en Jezus ontmoet Mozes en Elia op een berg (Nieuwe Testament, Marcus).
Deze beiden verhalen stonden gistermorgen op het leesrooster voor de viering in de Catharinakerk. We hoorden vanaf de kansel dat Mozes en Elia (toch twee grote namen uit de geschiedenis van Israël) het in hun leven beslist niet gemakkelijk hebben gehad.
Zij verschenen op dat moment aan Jezus om hem een hart onder de riem te steken.

De predikant maakte in zijn overdenking een mooie vergelijking. Je hebt in je leven allemaal wel moeilijke momenten; het leven kan als een storm om je heen razen, je leven kan op zijn grondvesten schudden als bij een aardbeving en je kunt het gevoel hebben dat je leven in brand staat omdat er veel te veel tegelijk aan de hand is.

Maar God zit niet ín die elementen; Hij is er in het gefluister van een zachte bries.

Wij kregen vanmorgen had advies om te laten zien wat ontmoetingen met God met ons doen. Als je een Goddelijke aanwezigheid hebt ervaren, deel het met anderen. Wat heeft het met je gedaan? Net als de verhalen uit de bijbel kunnen ze andere mensen helpen.
Net als Mozes en Elia bij Jezus deden: er zijn. Steunen.

Het kerkelijk jaar is een cyclus en in die cyclus komen vaak dezelfde verhalen voorbij.
Vorig jaar stonden deze verhalen centraal op 13 maart. Omdat ik ook schrijf over de waarde van de vieringen op de zondag kan ik gemakkelijk terugkijken en teruglezen.
Het is interessant om te lezen wat ik vorig jaar over deze tweede zondag in de Veertigdagentijd (Reminiscere) op dit weblog deelde. Zie Mozes en Elia. 

Bij deze verhalen zongen we vanmorgen o.a. lied 545 met een heel toepasselijke tekst.
Jezus staat in majesteit door een stralenkrans omgeven,
op de berg der heerlijkheid, licht uit licht en eeuwig leven. 
Mozes en Elia zijn zijn getuigen, want zij weten:
Hij voltooit de lange lijn van de wet en de profeten. 
Daarom spreken zij met Hem van zijn uitgang en zijn lijden
later te Jeruzalem in de volheid van de tijden. 

Dat de tekst zo goed bij de viering paste zag ik pas ná het zingen; tijdens het zingen was ik zo druk met de noten en de melodie dat de betekenis van wat ik zong helemaal niet tot me doordrong.
Jammer! En wat missen we op dit soort momenten een cantorij…..
Zo’n nieuw lied zou eigenlijk voor de viering aangeleerd moeten worden (net als in de jaren ’70 bij het toenmalige nieuwe liedboek), maar dat vergt natuurlijk weer organisatie en energie. Maar het  zou de gemeentezang wel erg ten goede komen en de betekenis van de tekst beter uit laten komen.
Ik gooi maar even een balletje op, misschien wordt het opgevangen.

Reageren

25 februari: To the market.

In juni van dit jaar waren wij drie  weken in Canada; een geweldige vakantie en een memorabele ervaring.  Voor de thuisblijvers namen we kleine kadootjes mee;  sokken,  een notitieboekje, zulke dingetjes. Mijn moeder was de thuisblijver die de meeste moeite had met onze afwezigheid. Wat zou ik voor haar meenemen?

Ze had alles al. Kopjes,  glazen, sjaals, onderzetters, toen we haar huis leegruimden bleek het nog meer te zijn dan we hadden ingeschat.  Op de laatste dag van onze vakantie in Canada vond ik een toepasselijk souvenirtje: een notitieblokje met een boodschappenlijstje. ‘To the market’ stond erop.  In die tijd deed ik al heel vaak boodschappen met mijn moeder bij Meintjes en wat ze nodig had stond altijd op een oude envelop van een rekening of een bankafschrift.

Ze was verrassend blij met het kleine notitieboekje. Inderdaad, zo’n boodschappenbriefje had ze nog niet. “Wat een goed idee ja. Wat stiet d’r eigenlijk op?” “Naar de markt.”
“Daor gao ‘k niet meer hen, maor die brieffies zal ik wel gebruuken”.

En warempel: ze gebruikte ze.
De laatste boodschappen (foto links) heeft ze niet meer gedaan.
Ze was toen al ziek; we belden de boodschappen toen door naar Meintjes, maar al gauw had ze niet zoveel meer nodig.
Toen mijn moeder overleed lag het notitieblokje nog in het mandje op de keukentafel.
Inmiddels ligt het op mijn aanrecht en gebruik ik het voor de ‘maandagse’ boodschappen.
Voor de donderdag heb ik een uitgebreidere, uitgeprinte lijst, met een een waslijst aan artikelen in de volgorde zoals ze in de winkel staan.

Op maandagmorgen  ga ik dus ’to the market’.
Denk even aan mijn moeder.
En ook even aan Canada.

Reageren

24 februari: STOM! (2)

Het positieve heeft de overhand op deze website, maar er zijn natuurlijk ook wel dingen waar ik me groen en geel aan erger. Heel af en toe mag ik van mezelf mopperen en vul ik een blog met dingen die ik STOM vind. De laatste keer dat ik dat deed was december 2015, het is nu al 2018: dan mag het wel een keertje weer.

Hierbij een kleine opsomming van stomme dingen begin 2018:

  • Dat het ’s avonds na half elf beneden altijd nog zo gezellig is, maar dat de wekker de volgende morgen wel om 06.00 uur staat.
  • Dat we op alle mogelijke manieren werkelijk worden bestookt met reclame. En dan ook nog van die infantiele en irreële reclame.
  • Dat er steeds minder mensen naar de vieringen van de PKN-gemeente komen.
  • Februari.
  • Autoruiten krabben.
  • “Hij weet niet hoe!” van Benny Nijman. De radio gaat uit bij dat nummer.
  • Dat het nog zo lang duurt voor deel 2 van Hendrik Groen op de tv komt.
  • Dat een crimineel als Willem Holleeder zoveel media-aandacht krijgt.
  • Dat Henk Mouwe niet meer op Radio 5 te beluisteren is en dat er daarom steeds minder ‘Henkie’s‘ te horen zijn.
  • De onophoudelijke stroom van goede adviezen, ge- en verboden op het gebied van gezondheid; je mag amper meer genieten van het leven.
  • Dat ik eigenlijk erg van lezen houd, maar dat ik de laatste twee maanden geen boek heb gelezen.
  • Thierry Baudet en Geert Wilders.
  • Syberische kou in aantocht…….met daarbij het onvermijdelijke gemekker over de Elfstedentocht. Ik weet niet wat ik erger vind: de kou of het gezever.

Benieuwd naar wat ik in 2015 stom vond? 30 december 2015: STOM!

In 2021 publiceerde ik STOM! deel 3.

Reageren

23 februari: Mafkees? Revolutionair? Profeet? Messias?

Jozef was ik al eens. En Farizeeër. Ook stond ik al eens als de verschijning van de profeet Eilia op een berg waar ik samen met Mozes aan Jezus verscheen.
Woensdagavond was ik even een Joodse leider. Met onze gespreksgroep hadden we deze avond een keer geen gesprek met elkaar, maar deden we als groep mee aan ‘Bibliodrama’ onder leiding van Bart Elbert.
Centraal stond het verhaal uit Johannes 2:13-25. Jezus komt op het tempelplein in Jeruzalem en wordt zo kwaad over de handel die daar is ontstaan, dat hij de handelaren met hun vee de tempel uitjaagt en de tafels van de geldwisselaars omgooit. (verhaal lezen? klik hier voor dit gedeelte in de basisbijbel)
We beleefden met elkaar op verschillende manieren de vele aspecten van dit verhaal.
We konden vragen stellen aan de spelers in dit verhaal en kregen verrassende antwoorden.
We maakten kennis met een brave geldwisselaar die zich van geen kwaad bewust was; je had nu eenmaal speciaal tempelgeld nodig en hij bewees de tempelgangers een dienst door al hun verschillende muntgeld om te wisselen. Een goede baan. Hij had ook vier bloedjes van kinderen die allemaal gekleed en gevoed moesten worden.
De handelaar was ook goed bezig. Door de het vee bij de tempel aan te bieden, hoefden de mensen van buiten Jeruzalem die naar de tempel kwamen niet met hun eigen vee te zeulen. Ze kochten gewoon een rund of een duif op het tempelplein. En ja, daar verdiende hij wel wat aan: een mens moet toch ergens van leven nietwaar?

De twee Joodse leiders ergerden zich groen en geel aan die mafkees die zo’n chaos veroorzaakte in hun zorgvuldig in stand gehouden domein. Al was één van hen wel danig aan het twijfelen gebracht over hun eigen rol. Daar kon de ander helemaal geen begrip voor opbrengen. Oproer en chaos kunnen leiders zich nu eenmaal niet veroorloven, dus er werd gehandhaafd.

Eén van de toeschouwers gaf de sfeer heel duidelijk weer. Hij durfde zich niet uit te spreken over wat Jezus had gedaan: hij was bang.
De muren hebben oren; voor je het weet wordt je zelf opgepakt!
Een andere toeschouwer vertelde dat hij vegetariër was en zich zorgen maakte om het welzijn van de dieren die geofferd werden. Maar daar hadden de Joodse leiders en de handelaar helemaal geen boodschap aan: het was een offer voor God; voor de goede zaak!
En geheel volgens de regels: het vlees was kosjer, varkens bijvoorbeeld kwamen er niet in.
Andere toeschouwers hadden bewondering voor Jezus. Dat hij dat durfde: zo in opstand komen tegen de gevestigde orde!

Na afloop zaten we in de kring voor een kleine evaluatie.
Iedere keer is het weer verbazingwekkend hoe een verhaal tot leven komt als je er met elkaar zo in duikt. Hoe het voor de verschillende personages in het verhaal geweest moet zijn.  Hoe Jezus zijn zelfbeheersing verloor; hij was tenslotte ook ‘gewoon’ een mens.
Hoe bijzonder het was wat hij deed.
Het deed ons denken aan wat Luther deed in de 16e eeuw: je durven uitspreken tegen de gevestigde orde.
Daarbij ontdekten we hoeveel parallellen er waren met onze huidige maatschappij.
En over rollen gesproken: onze rol daarin.

Op 4 maart zal de ochtend-viering in het teken staan van dit verhaal en zal Ds. Elbert de ervaringen van woensdagavond gebruiken. Altijd bijzonder om dan zo’n viering mee te maken.
Dit seizoen ook nog een keer meedoen? 14 maart en 25 april zijn de data, 20.00 uur in Op de Helte. Nog twee avonden om op verhaal te komen.

Benieuwd naar eerdere bibliodrama-verhalen?
Jozef
schriftgeleerde.
Elia 

Reageren

22 februari: Luisteren luistert nauw.

De 6e Franse les van 2018.
Dinsdagavond wandelde ik zo’n 25 minuten door de vrieskou naar onze lesruimte; deze keer had Piet (Pierre op dinsdagavond ) een spreekbeurt. Hij vertelde ons in het Frans van alles over ons drinkwater. We moesten wel goed opletten tijdens zijn verhaal. Veel specifieke termen had hij keurig vertaald, maar die sloten niet helemaal aan bij onze luistervaardigheid. Maar juf vindt het altijd belangrijk dat we de strekking van het verhaal kunnen volgen; dat is in Frankrijk namelijk ook zo.  Door de snelheid waarmee de Fransen spreken en door het bijna altijd aanwezige accent krijg je nooit alles letterlijk mee. Wat wij van Piet begrepen is dat ons drinkwater spotgoedkoop is en dat het in Nederland op het gebied van drinkwater prima geregeld is.

Hoe moeilijk luisteren naar Frans sprekende mensen is, bleek uit het verhaal dat onze juf vertelde. “Wat is Olympische Spelen in het Frans?” vroeg iemand.
“Les Jeux Olympique” was het antwoord. Ze begon wat giechelig te vertellen.
Bij één van haar examens Frans was destijds ook een luistertoets geweest, onderwerp Les Jeux Olympique. Maar in haar zenuwen had ze dat niet goed verstaan. Zij had gehoord “Les jeux, oh, lui pique!” (vertaling: Oh, wat prikken hem de ogen!”).
Daarna had ze de tekst niet goed begrepen. Ze had geprobeerd te ontdekken waarom die ogen zo prikten, maar ze kwam helemaal niet in het verhaal.
Ze haalde geen goed cijfer….. gelukkig kon ze er achteraf om lachen.

Wij hoeven geen examen meer te doen.
Wij zijn al blij als we het huiswerk redelijk foutloos gemaakt hebben; altijd fijn als je dan weer zo’n mooie krul mag zetten!
Dinsdagavond gingen we cijfers oefenen. Juf zei eerst een cijfer in het Nederlands, dat moesten wij in het Frans opschrijven. Daarna zei ze een cijfer in het  Frans en moesten wij het in het Nederlands vertalen. En weer maakte ik dezelfde fout als vroeger op school: ik haalde vingt quatre (24) en quatre vingt (80) door elkaar.
Een deja vu.
Bij één cijfer werd weer even goed duidelijk dat juf onderwijzer is. Die hebben namelijk altijd gelijk. Drie leerlingen hadden opgeschreven ‘cinq cent quarante sept’ (547). Fout. Juf vond dat ze had gezegd ‘cinq cent quarante cinq’ (545).
Had zij het nou niet goed gezegd?
Of hadden wij niet goed geluisterd…..

Reageren

21 februari: Er zijn is genoeg.

Maandagmiddag fietste ik naar verzorgingshuis Vredewold voor een bezoekje aan mijn ex-buurvrouw Zwanny. Het was al even geleden dat ik haar had opgezocht; dat had alles te maken met de zorg en de aandacht die mijn moeder de laatste maanden van haar leven nodig had. De laatste keer dat ik Zwanny bezocht was mei, toen had ik mijn gitaar mee;  (zie De uil in de olmen) die had ik nu bewust thuis gelaten. Van een gemeentelid van de PKN had ik gehoord dat het niet zo goed met haar ging, ik wilde haar graag nog een keer bezoeken.

Het viel me inderdaad niet mee. Er was geen herkenning meer en ze lag in bed, maar ze deed nog wel haar best om een gesprek te voeren. Dat lukte ook al niet heel goed meer; ze vroeg herhaaldelijk hetzelfde en was voortdurend in de war. Dan is het voldoende om er te zijn. Geruststellend een gesprekje voeren over het weer en het eten. En over haar overleden echtgenoot Jan die ze zich niet meer voor de geest kan halen. Over Roden, waarvan ze niet weet dat ze er ooit gewoond heeft. Of Leek, waarvan ze niet weet dat ze er nu woont.

Er speelde een CD van een Christelijk Mannenkoor op de achtergrond met Johannes de Heer liederen, maar daar hoorde ze kennelijk niks van. Toen ik haar vroeg naar de muziek zei ze dat ze geen muziek hoorde.
“Wat vond jij vroeger een mooi lied”? vroeg ik haar. “De weg was recht, de weg was krom, nooooit kwam Berend Botje weerom!” Ze zong het helemaal helder en keek me stralend aan. “Die ken ik nog wel!” Samen zongen we het hele lied van Berend die naar Zuidlaren ging maar in Amerika terecht kwam. Daarna zongen we De Heer is mijn herder, Ga niet alleen door ’t leven, Welk een vriend is onze Jezus en Scheepke onder Jezus’hoede.

Ze mag dan helemaal in de war en dement zijn, op het moment dat ik iets anders zong dan zij was het weer dezelfde, heel soms een beetje kribbige Zwanny van vroeger. Ze kon heel dwingend zijn als ze het niet met je eens was……ook maandagmiddag kreeg ik commentaar, ik zong per ongeluk wat regels van een eerste couplet van een lied, terwijl zij het tweede zong. “Hij schraagt m’als ik wankel, Hij draagt m’als ik viel!”

Niet meer weten waar je woont en wel discussiëren over een liedtekst; het blijft onbegrijpelijk.

Reageren

Pagina 229 van 309

Mogelijk gemaakt door WordPress & Thema door Anders Norén